Probleemgedrag in de klas en agressie op school

Geschreven door Van Acker Juliaan

Verkrijgbaar bij


Informatie
Heeft u interesse in dit boek? Als u tot aankoop besluit over te gaan en op ‘bestellen’ klikt, wordt u doorverwezen naar onze verkoopwebsite Boekenbestellen.nl. Hier kunt u uw bestelling vervolgens afronden en de betaling voldoen. Na een eventuele aankoop verloopt ook de communicatie via ons platform Boekenbestellen.nl. Wij handelen uw order voor u af onder deze naam.


  • EBOEK

    pdf zonder drm

    9,95


  • Samenvatting

     

    Leerkrachten willen concrete en bruikbare richtlijnen voor de aanpak van probleemgedrag in de dagelijkse klassituatie. Ook willen ze adviezen krijgen over hoe om te gaan met agressieve leerlingen. Niemand verwacht kookboekrecepten waarmee sociaal onaangepast gedrag makkelijk te veranderen zou zijn, want elke leerkracht weet best dat het gedrag van probleemleerlingen meestal een lange voorgeschiedenis heeft. In dit boek wordt op een zorgvuldige manier een methode aangereikt om inzicht te verwerven in de oorzaken van problematisch gedrag in de klas en op school. Van de leerkrachten wordt geen specialistische ontwikkelingspsychologische of therapeutische kennis verwacht. Aan de hand van concrete voorbeelden wordt voortdurend de verbinding gelegd tussen wetenschappelijke inzichten en de concrete aanpak van gedragsproblemen.

     

    Ook probleemgedrag wordt aangeleerd! Vanuit dit belangrijke principe wordt in het tweede hoofdstuk inzicht gegeven in hoe probleemgedrag tot stand komt en waarom de leerkracht zoveel moeite heeft om het gedrag van sommige leerlingen te veranderen. Een analysemodel maakt duidelijk dat de leerkracht over effectieve middelen beschikt om het gedrag van de leerling te beïnvloeden. In het derde en vierde hoofdstuk worden concrete adviezen gegeven om professioneel om te gaan met probleemgedrag en in het bijzonder met agressie. Misschien is de belangrijkste winst van deze technieken dat de leerkracht meesterschap verwerft over de situatie en uit de hopeloze machtsstrijd met de leerling weet te geraken. In een aparte paragraaf wordt aandacht besteed aan crisismanagement, zoals bijvoorbeeld bij een bommelding, gijzelneming of bij schietincidenten. Ook het algemeen veiligheidsbeleid op de school komt aan de orde.

     

    De leerkracht mag echter niet aan zijn lot worden overgelaten. Het gedrag van de leerlingen is ook afhankelijk van het klimaat op de school en van de houding van de ouders. In de laatste twee hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de voorwaarden voor een goed klimaat in de klas en op school en voor een samenwerking met de ouders. Voor leerlingen die gedragsgestoord zijn moet de jeugdhulpverlening op effectieve wijze kunnen worden ingeschakeld.

     

    Juliaan Van Acker (Brugge, 1940) is emeritus hoogleraar pedagogische wetenschappen. Al meer dan vijfendertig jaar combineert hij wetenschappelijk onderzoek met een eigen klinische praktijk voor kinderen en adolescenten met gedragsproblemen en emotionele stoornissen. In Nederland is hij vooral bekend als oprichter van het Nijmeegse Gezinsproject waar ernstig gestoorde kinderen en adolescenten in hun eigen omgeving met succes werden behandeld. Sinds 2001 houdt hij praktijk in Antwerpen voor ouders met opvoedingsproblemen en als trainer van leerkrachten in het leren omgaan met gedragsproblemen en vanaf 2011 leidt hij een Pilot Project voor jonge recidiverende criminelen.

  • Inhoudsopgave

     

    INHOUD

     

    Voorwoord 4

     

     

    Hoofdstuk 1. Effectieve en minder effectieve scholen 5

     

    - Eerst de feiten, daarna de aanpak

    - Effectieve scholen: wat zegt het onderzoek?

    - Overzicht van de cursus

     

    Hoofdstuk 2. Verklaring van probleemgedrag op school       18

     

    - Begripsafbakening: wie zijn die heel lastige leerlingen?

    - Verklaring van probleemgedrag

     

    Hoofdstuk 3. Professioneel omgaan met probleemgedrag 47

     

          -    Een goede sfeer voor alle leerlingen

    - Vier algemene strategieën om te reageren op onaangepast gedrag

    - Technieken om aangepast gedrag aan te leren

    - Zeven technieken om gewenst gedrag te doen toenemen

    - Acht technieken om ongewenst gedrag te doen afnemen

     

    Hoofdstuk 4. Omgaan met agressie 76

     

    - Wanneer is er echt sprake van agressie?

    - Potentiële waarschuwingssignalen voor geweld bij kinderen en adolescenten

    - Wanneer dreigt agressie en welke fasen zijn te onderscheiden?

    - Hoe geweld op scholen voorkomen?

    - Omgaan met agressie

    - Slachtoffers van agressie

    - Relationele agressie

    - Agressie door leerkrachten

    - Crisismanagement

    - Veiligheidsbeleid op school

     

    Hoofdstuk 5. Strategieën voor een goed klimaat in de klas en op school 112

     

    - Voorbeeld 1: Gedemotiveerde leerkrachten en gedemotiveerde leerlingen

    - Voorbeeld 2 : Elk jaar een andere schooldirecteur

    - Een goed schoolklimaat

    - Een productief schoolklimaat

     

    Hoofdstuk 6. Samenwerking met ouders en jeugdhulpverlening 134

     

    - Samenwerking met de ouders

    - Samenwerking met de jeugdhulpverlening

     

    Epiloog: de pedagogische opdracht van de school 151

     

    Referenties 153

  • Fragment

     

    Hoofdstuk 2.  Verklaring van probleemgedrag op school of in de klas

     

    Leerkrachten op basisscholen en in het voortgezet onderwijs willen eerst en vooral goed les kunnen geven. Kennisoverdracht, leren leren, leren kritisch na te denken, aandachtig het verhaal van een ander kunnen volgen, leren zijn eigen standpunt te verwoorden, kortom: het bevorderen van de intellectuele ontwikkeling van de leerlingen is hun voornaamste taak.

     

    In deze handleiding wordt niet voorbijgegaan aan deze primaire taak van het onderwijs. Integendeel: goed kunnen omgaan met probleemgedrag is heel belangrijk om goed les te kunnen geven. Veel arbeidsvreugde in dit mooie beroep gaat helaas verloren door ordeverstoringen van lastige leerlingen.

     

    Enkele feiten:

    - vijfenzestig procent van de leerkrachten maakt zich zorgen over de discipline in de klas;

    - discipline en probleemgedrag van de leerlingen wordt als probleem nummer één genoemd;

    - ook de leerlingen zelf hebben er last van: hun aandacht wordt verstoord; ze kunnen zich niet veilig voelen op de school; de leerkracht kan hen onvoldoende beschermen tegen pesten;

    - directies moeten heel veel tijd besteden aan ordeverstoringen. Ook tijdens stafbesprekingen staat dit thema vaak op de agenda. Niet goed kunnen omgaan met probleemgedrag is een belangrijke oorzaak van ziekte, van het niet meer zien zitten en het voortijdig opgeven van de onderwijsloopbaan;

    -velen menen dat het aantal disciplineringsproblemen op scholen de laatste jaren flink is toegenomen.

     

    De feiten liegen er niet om. Het is verbazingwekkend dat op de pedagogische academies in Nederland, in de Vlaamse normaalscholen of in de lerarenopleidingen nauwelijks of zelfs helemaal geen aandacht wordt besteed aan het leren omgaan met probleemgedrag in de klas. Dat komt misschien doordat de meeste volwassenen best weten hoe moeilijke kinderen aangepakt moeten worden. Ieder mens heeft in zijn eigen opvoeding gezien hoe volwassenen op ongepast gedrag reageren.

     

    Dat is juist: de meeste leerkrachten reageren passend op probleemgedrag en we hoeven dat in deze training niet te veranderen. Maar als we goed kijken dan zijn er in elke klas wel een paar leerlingen waarvoor onze gebruikelijke methoden niet veel helpen of ze helpen maar eventjes. Dat zijn nu net die leerlingen waar we doodmoe van worden. Jongens en meisjes waarvan wordt gezegd dat men ze het liefst ‘achter het behang zou willen plakken’.

     

    Over deze erg moeilijke kinderen is al heel veel wetenschappelijk onderzoek verricht. We kunnen hen haarfijn identificeren. We weten waarom ze zo moeilijk zijn geworden. En,   schrale troost wellicht, we beginnen al enige kennis op te doen om het gedrag van deze leerlingen enigszins onder controle te krijgen.

     

    Over de aanpak van deze leerlingen gaat het in dit boek. Maar de hier beschreven methoden om probleemgedrag aan te pakken kunnen ook bij minder problematische leerlingen toegepast worden. Als we weten hoe de moeilijkste leerlingen aangepakt moeten worden, dan leren we ook beter om te gaan met minder ernstige problemen.

     

    Begripsafbakening: wie zijn die heel lastige leerlingen?

     

    Vooraleer we ingaan op de omstandigheden waarin probleemgedrag bij leerlingen voorkomt en op de oorzaken van dat gedrag, moeten we eerst weten welke kinderen een bijzondere aanpak nodig hebben. Zoals gezegd kunnen de meeste leerkrachten heel goed omgaan met probleemgedrag van hun leerlingen, behalve met kinderen die blijkbaar niet te beïnvloeden zijn met de gebruikelijke methoden. Die kinderen noemen we dan al gauw onhandelbaar.

     

    ‘Onhandelbare’ kinderen moeten we goed leren te onderscheiden van kinderen die ook wel heel vervelend kunnen zijn of die de regels ernstig overtreden, maar voor wie de prognose gunstig is. Ook als we niets doen of ons beperken tot een eenmalige straf. We maken daarom een onderscheid tussen twee groepen:

     

    groep 1: kinderen die af en toe heel vervelend zijn, maar die met de gebruikelijke opvoedingsmethoden zich na verloop van tijd sociaal aangepast weten te gedragen.

     

    groep 2: kinderen die echt gedragsgestoord zijn en bij wie de gebruikelijke opvoedingsmethoden op de langere termijn ook niet helpen.

     

    De groep met een gunstige prognose

     

    In groep 1 zitten bijna alle kinderen! In een Nederlands onderzoek (Verhulst & Akkerhuis, 1986) werden 1162 kinderen tussen vier en twaalf jaar door hun leerkrachten beoordeeld. Dit soort onderzoek wordt epidemiologisch onderzoek genoemd omdat gezocht wordt naar de spreiding (als een epidemie) van stoornissen. De ondervraagden moeten een vragenlijst invullen, in dit geval een gedragsbeoordelingsschaal. Bij meer dan honderd mogelijke problemen, zoals ‘vaak huilen’, ‘te veel praten’ of ‘te veel aandacht opeisen’, moesten de leerkrachten per kind aangeven of dit een beetje, duidelijk of vaak van toepassing is. We kunnen ons vragen stellen over de waarde van dit kunstmatige onderzoeksinstrument. Het is erg etiketterend om al die problemen op te sommen en diegenen die zo’n vragenlijst invullen kunnen geneigd zijn om bij lastige leerlingen hun negatief beeld extra te bevestigen. Niettemin verschaft dit epidemiologisch onderzoek enig inzicht in hoe leerkrachten het gedrag van hun leerlingen ervaren.

     

    Uit hun antwoorden blijkt dat op bepaalde leeftijden bij veertig à zestig procent van de kinderen problemen worden gesignaleerd. Een van de hieronder genoemde problemen zal bij ieder kind wel eens kunnen voorkomen:

     

    - opscheppen: door de leerkrachten gesignaleerd bij veertig à vijftig procent van de jongens op elke leeftijd tussen vier en twaalf jaar;

    - zich niet kunnen concentreren: bij vijftig procent van de jongens en bij twintig à veertig procent van de meisjes  op elke leeftijd;

    - te druk gedrag bij dertig à veertig procent van de jongens;

    - dagdromen bij dertig à veertig procent van de jongens en meisjes, maar dit neemt af vanaf elf jaar;

    - aandacht vragend gedrag bij dertig à veertig procent van de jongens en de meisjes;

    - zenuwachtig gedrag komt voor bij dertig à vijftig procent van de jongens en de meisjes en bij deze laatsten is er een piek van vijftig procent op twaalfjarige leeftijd;

    - leermoeilijkheden stijgen bij jongens tussen vier en twaalf jaar tot vijftig procent en bij meisjes tot dertig procent;

    - gebrek aan aandacht komt volgens de leerkrachten voor bij dertig à vijftig procent van de jongens en bij twintig à dertig procent van de meisjes, met bij beide geslachten een piek rond tien en elf jaar.

     

    Volgens de leerkrachten zijn er over het algemeen meer problemen bij jongens dan bij meisjes, vooral als het gaat om sociaal afgekeurd gedrag. Ook worden kinderen uit de lagere sociale klassen als problematischer beoordeeld.

     

    Bij meisjes ziet men vaak minder problemen omdat meisjes dit minder uiten dan jongens. Zij hebben meer ‘innerlijke’ problemen en jongens hebben meer naar buiten gerichte problemen zoals agressie en impulsief gedrag. Met ‘innerlijke’ problemen wordt bedoeld angst, teruggetrokkenheid, depressiviteit en dergelijke.

     

    Als bij zoveel leerlingen problemen worden gesignaleerd, dan kunnen we eigenlijk besluiten dat probleemgedrag hoort bij de normale ontwikkeling van kinderen en adolescenten. Klachten over het gedrag van de jeugd zijn van alle tijden. We moeten het probleemgedrag daarom zien als pogingen van het kind of van de adolescent om zich aan te passen aan veranderende omstandigheden, aan nieuwe verwachtingen en verlangens die meer overeenkomen met de ontwikkelingsfase waarin hij zich bevindt. Als volwassenen daar geen begrip voor hebben ontstaat algauw een negatief beeld over het kind. Dit negatieve beeld heeft een ongunstige invloed op de relatie tussen het kind en de volwassene en op het zelfbeeld of de zelfwaardering van het kind zelf. Het is daarom van het grootste belang dat de leerkrachten het probleemgedrag van hun leerlingen weten te relativeren en te zien in het perspectief van de ontwikkeling. Pubers bijvoorbeeld moeten in een periode van amper zes jaar zich ontwikkelen van een kind naar een volwassene. Bijzondere aandacht moeten wij hebben voor allochtone leerlingen die het in onze samenleving beslist niet makkelijk hebben. Zij bevinden zich tussen twee culturen, die erg vijandig tegenover elkaar kunnen staan. Relativeren van hun probleemgedrag wordt moeilijk als onder de bevolking vaak negatief wordt gedacht over hun etnische groep.

     

    De noodzaak om te relativeren geldt voor de meerderheid van leerlingen die problematisch of storend van gedrag zijn. Er is echter een groep waarbij relativeren juist vermeden moet worden. We kunnen bij deze groep niet geduldig afwachten totdat de problemen vanzelf overgaan, omdat bij deze kinderen en adolescenten de problemen een signaal zijn van een ongunstige psychosociale ontwikkeling. Hun probleemgedragingen zijn waarschuwingssignalen. Er is een grote kans dat zij aan het begin staan van een carrière naar steeds ernstiger asociaal of crimineel gedrag. Op deze tweede groep gaan we nu verder in.

     

    De groep die aan het begin staat van een asociale of criminele carrière

     

    In de diagnostiek worden twee groepen onderscheiden van kinderen die in elk geval specialistisch hulp nodig hebben:

     

    (1) kinderen met oppositioneel-opstandig gedrag

    (2) kinderen met de echte gedragsstoornissen.

     

    Voor deze twee gedragsproblemen zijn duidelijke criteria opgesteld. De diagnose kan slechts door deskundigen, op basis van uitvoerige observaties, worden gesteld. Voor leerkrachten is het echter belangrijk op de hoogte te zijn van  de belangrijkste diagnostische criteria zodat ze deze kinderen tijdig kunnen verwijzen naar de diagnosticus.

     

    Oppositioneel-opstandig gedrag wordt diagnostisch als volgt omschreven:

     

    Dit gedrag moet al minstens zes maanden duren en ten minste vijf van de volgende gedragingen moeten aanwezig zijn om die diagnose te stellen:

     

    1. is vaak driftig

    2. maakt vaak ruzie met volwassenen

    3. is vaak opstandig of verzet zich tegen vragen of regels van volwassenen, bijvoorbeeld weigert thuis te helpen met huishoudelijke taken

    4. doet vaak opzettelijk dingen die anderen ergeren, bijv. trekt de muts van andere kinderen af

    5.geeft anderen vaak de schuld van eigen fouten

    6. is vaak prikkelbaar en ergert zich makkelijk aan anderen

    7. is vaak hatelijk en wraakzuchtig

    8. is vaak boos en gepikeerd

    9. vloekt vaak of gebruikt obscene taal.

     

    Deze stoornis komt voor bij twee tot zestien procent van de kinderen (afhankelijk van waar het onderzoek heeft plaatsgevonden en hoe streng de criteria worden gehanteerd). Belangrijk is dat deze stoornis vaak samengaat met andere problemen: met een moeilijk temperament, lage zelfwaardering, lage frustratietolerantie, vroegtijdig gebruik van alcohol, tabak of drugs. Oppositioneel-opstandig gedrag komt meer voor in gescheiden gezinnen/stiefgezinnen en in gezinnen waar de discipline hardvochtig en inconsistent is.

     

    De echte gedragsstoornis wordt als volgt gedefinieerd in de diagnostische handboeken:

     

    Een zich herhalend en persistent patroon van gedragingen waarbij basale rechten van anderen of belangrijke leeftijdsadequate regels of normen worden overtreden.

     

    Om van een patroon te spreken moeten gedurende twaalf maanden drie of meer van de volgende probleemgedragingen voorkomen en waarvan minstens één al zes maanden:

     

     Agressie tegenover mensen en dieren

    1. vaak pesten, bedreigen of anderen intimideren

    2. begint vaak te vechten

    3. heeft een wapen gebruikt waarmee ernstige fysieke verwondingen aan anderen kunnen worden toegebracht (bijvoorbeeld een knuppel, een baksteen, een gebroken fles, een mes, een geweer)

    4. is wreed geweest tegenover anderen

    5. is wreed geweest tegenover dieren

    6. heeft gestolen met confrontatie met het slachtoffer (bijvoorbeeld tasjesroof, afpersing, gewapende overval)

    7. heeft iemand tot seks gedwongen.

     

    Vernieling van eigendom

    8. heeft bewust brand gesticht met de bedoeling ernstige schade te veroorzaken

    9. heeft bewust andermans eigendom vernield (op een andere wijze dan brandstichting).

     

    Bedrog of diefstal

    10. heeft ingebroken in iemands huis, gebouw of auto

    11. liegt vaak om dingen te verkrijgen of om van verplichtingen af te komen (anderen beetnemen)

    12. heeft minder dure spullen gestolen zonder confrontatie met het slachtoffer (bijvoorbeeld winkeldiefstal, valsheid in geschrifte).

     

    Ernstige overtredingen van regels

    13. blijft vaak 's nachts weg ondanks verbod van de ouders en dit kwam al vóór de leeftijd van dertien jaar voor

    14. liep tenminste twee keer langer dan een nacht van huis weg, of één keer geruime tijd

    15. spijbelt vaak en dit kwam al vóór de leeftijd van dertien jaar voor.

     

    Volgens het diagnostisch onderzoek zou de gedragsstoornis voorkomen bij zes tot zestien procent van de jongens en bij twee tot negen procent van de meisjes. Het is een van de meest frequente aanmeldingsredenen in residentiële en ambulante voorzieningen voor geestelijke gezondheidszorg. Ook wordt er op gewezen dat de diagnose 'gedragsstoornis' verkeerdelijk kan worden gesteld bij kinderen en adolescenten voor wie het ongewenste gedrag nodig was voor de zelfbescherming, bijvoorbeeld bij kinderen van immigranten uit door oorlog getroffen gebieden of bij kinderen die opgroeien in achterstandswijken met veel geweld en criminaliteit.

     

    Kinderen met ADHD (aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit)

     

    Kinderen met ADHD behandelen we als een aparte groep alhoewel in veel handboeken ADHD samen met oppositioneel-opstandig gedrag en met de echte gedragsstoornis als een stoornis bij kinderen en adolescenten wordt gezien.  Wij maken echter een onderscheid omdat de kenmerken van deze kinderen niet asociaal zijn en omdat hun eigenschappen in een gunstige en stimulerende omgeving omgezet kunnen worden tot creatief en dynamisch gedrag. In de volgende paragraaf gaan we hier verder op in.

     

    Ook hier moet de diagnose door een deskundige op zorgvuldige wijze worden gesteld. We hebben eerder gezien dat dertig à veertig van de jongens tussen vier en twaalf jaar door de leerkrachten als te druk worden omschreven. Dit betekent absoluut niet dat dit allemaal kinderen zijn met ADHD. Helaas wordt bijvoorbeeld in veel Amerikaanse scholen het medicijn dat bedoeld is voor ADHD aan vijfentwintig procent van de kinderen in de klas toegediend. Als we de onderstaande criteria voor ADHD correct toepassen op basis van observaties in verschillende situaties of omstandigheden en gedurende een voldoende lange periode, dan blijkt dat hooguit drie procent van de kinderen lijdt aan deze ‘stoornis’. Het is daarom van belang dat de leerkrachten bij vermoedens van ADHD rekening houden met de nu volgende definiëring van ADHD in de diagnostische handboeken.

     

    Minstens zes van de volgende symptomen moeten ten minste gedurende zes maanden aanwezig zijn in een mate die onaangepast is en niet past bij het ontwikkelingsniveau: 

    Aandachtstekort
    1. slaagt er vaak niet in voldoende aandacht te geven aan details of maakt achteloos fouten in schoolwerk, werk of bij andere activiteiten
    2. heeft vaak moeite de aandacht bij taken of spel te houden
    3. lijkt vaak niet te luisteren als hij/zij direct aangesproken wordt
    4. volgt vaak aanwijzingen niet op en slaagt er vaak niet in schoolwerk, karweitjes af te maken of verplichtingen op het werk na te komen (niet het gevolg van oppositioneel gedrag of van het onvermogen om aanwijzingen te begrijpen)
    5. heeft vaak moeite met het organiseren van taken en activiteiten
    6. vermijdt vaak, heeft een afkeer van of is onwillig om zich bezig te houden met taken die een aanhoudende aandacht (langdurige geestelijke inspanning) vereisen (zoals school- of huiswerk)
    7. raakt vaak dingen kwijt die nodig zijn voor taken of bezigheden (bijvoorbeeld speelgoed, huiswerk, potloden, boeken of gereedschap)
    8. wordt vaak gemakkelijk afgeleid door uitwendige prikkels
    9. is vaak vergeetachtig in zijn doen en laten (bij dagelijkse bezigheden). 

    Zes (of meer) van de volgende symptomen van hyperactiviteit/impulsiviteit zijn gedurende ten minste zes maanden aanwezig geweest in een mate die onaangepast is en niet past bij het ontwikkelingsniveau: 

    Hyperactiviteit
    10. beweegt vaak onrustig met handen of voeten, of draait in zijn/haar stoel
    11. staat vaak op in de klas of in andere situaties waar verwacht wordt dat men op zijn plaats blijft zitten
    12. rent vaak rond of klimt overal op in situaties waarin dit ongepast is (bij adolescenten of volwassenen kan dit beperkt zijn tot subjectieve gevoelens van rusteloosheid)
    13. kan moeilijk rustig spelen of zich bezighouden met ontspannende activiteiten
    14. is vaak "in de weer" of "draaft maar door"
    15. praat vaak aan een stuk door. 

    Impulsiviteit
    16. gooit het antwoord er vaak al uit voordat de vragen afgemaakt zijn
    17. heeft vaak moeite op zijn/haar beurt te wachten
    18. verstoort vaak bezigheden van anderen of dringt zich op (bijvoorbeeld mengt zich zomaar in gesprekken of spelletjes).

    Verklaring van probleemgedrag

    Het ligt voor de hand te veronderstellen dat probleemgedrag dat bij de meeste kinderen en adolescenten wel eens voorkomt andere oorzaken heeft dan gedragsstoornissen en de stoornis die valt onder de noemer aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD). Die veronderstelling hoeft niet altijd het geval te zijn. Bij stoornissen is er meestal sprake van een basale biologische afwijking, maar of die afwijking tot een gedragsstoornis of tot ADHD leidt wordt niettemin in sterke mate bepaald door de wijze waarop de omgeving omgaat met een kind dat deze typische biologische kenmerken heeft. Het is wellicht ook mogelijk dat kinderen zonder afwijkende biologische kenmerken toch gedragsgestoord of hyperactief worden, bijvoorbeeld omdat zij door hun ouders mishandeld of gehaat worden of omdat ze leven in een hyperactieve maatschappij.

    Aangezien de opvoeders en de hulpverleners niets kunnen veranderen aan de biologische kenmerken moeten wij bij de aanpak van kinderen met probleemgedrag, met gedragsstoornissen of met ADHD vooral bestuderen hoe de reacties van de omgeving, of liever: de wederzijdse interacties tussen het kind en zijn omgeving van invloed zijn op het gedrag van het kind. De wetenschappelijk meest gefundeerde verklaringsmodellen met betrekking tot deze interacties worden hieronder besproken: het sociaal-interactioneel fasenmodel en het zogenaamde S-O-R-C model. 

    Het sociaal-interactionele fasenmodel (Patterson e.a. 1992)

    Patterson en zijn medewerkers onderscheiden vier fasen in het ontwikkelingsproces naar antisociaal gedrag 

     

    I    De fase van de basale training  (van 0 tot circa zes jaar)

    II   De fase waarin de sociale omgeving  negatief begint te reageren op het kind

    III  De fase waarin het kind optrekt met een deviante groep

    IV  De fase waarin een criminele carrière  een aanvang neemt.

     

    Bij het ontwikkelingsmodel van Patterson (zie figuur 2.1) spelen in elke fase negatieve interacties met de omgeving een rol in de voortschrijdende ontwikkeling naar deviant gedrag. Dit wil zeggen dat afhankelijk van hoe de opvoeders met het kind omgaan het kind al dan niet steeds moeilijker van gedrag wordt. Hieronder volgt in het kort bij elke fase een beschrijving van de meest kenmerkende interacties.

     

    (1) Basale training : er is geen twijfel over dat de basis van een ongunstige persoonlijkheidsontwikkeling in het gezin ligt, gezien de talloze interacties waaraan het kind vanaf de geboorte is blootgesteld. Onaangepast gedrag krijgt steeds vastere vormen doordat de ouders het kind niet effectief disciplineren, er is weinig toezicht, de problemen worden niet goed opgelost, positief gedrag wordt niet aangemoedigd of gewaardeerd. Deze gebrekkige ouderlijke vaardigheden zijn op hun beurt het gevolg van te veel stressoren die op de ouders inwerken. Deze stressoren kunnen in verband staan met hun lage sociale status, het moeilijke temperament van het kind, het hyporesponsief (nauwelijks reageren op prikkels) zijn van het kind of het niet leren van straf, of zij staan in verband met huwelijksproblemen, het wonen in een criminele buurt of met het verleden van de ouders (de grootouders hebben ook gefaald als opvoeders).

     

    verwerping

    door

    leeftijdgenoten

     

    een moeilijke baby

    --------------------  pastedGraphic.pdfgedragsproblemen aansluiting bij pastedGraphic_1.pdf delinquent en

    gebrekkige   bij het kind deviante groep   ernstig

    opvoedingsmethoden   antisociaal gedrag

     

     

    ongunstige omstandigheden mislukken op school

    stress in het gezin

    problemen van de ouders

     

    figuur 2.1 Het sociaal-interactioneel fasenmodel

     

    Hierbij moeten we opmerken dat de meeste kinderen die opgroeien in verpauperde wijken of de meeste kinderen van gescheiden ouders niet problematisch zijn of worden. Het is door onderzoekers herhaaldelijk aangetoond dat slechts in het geval van de aanwezigheid van drie of meer risicofactoren er een grote kans is op een problematische ontwikkeling.

     

    (2) De sociale omgeving  reageert negatief: als het kind tijdens de basale training te weinig sociale vaardigheden heeft geleerd, loopt het een grote kans om op school te mislukken. Dit kind kan bijvoorbeeld niet normaal omgaan met leeftijdgenoten of het heeft de minimale vaardigheden die noodzakelijk zijn om onderwijs te volgen thuis niet geleerd. Deze basale vaardigheden zijn bijvoorbeeld goed kunnen luisteren, een opdracht willen uitvoeren, stil kunnen zitten, en dergelijke. Als het kind noch over de vaardigheden beschikt om met andere kinderen goed te kunnen omgaan, noch over  de vaardigheden om in de klas mee te kunnen, dan kan dit ernstige gevolgen hebben voor de toekomstige aanpassing. Het mislukt op school en het wordt verworpen door leeftijdgenootjes.

     

    (3) Aansluiten bij een deviante groep : doordat het kind steeds meer gaat verschillen van normale leeftijdgenoten wat betreft de sociale vaardigheden en door de slechte schoolresultaten, zoekt het steeds meer contact met soortgenoten. Dit kind beleeft weinig vreugde aan het naar school gaan. Het gaat liever spijbelen en vindt op straat kinderen met gelijkaardige problemen. Deze groep staat zeer negatief tegenover de school en de autoriteit. Door de invloed van deze jongeren op elkaar komt het kind vrijwel automatisch in de volgende fase terecht.

Copyright © 2006-2017 Vior Webmedia    Thuiswinkel Waarborg Thuiswinkel Waarborg