De Orgaanhandelaar



BOEK paperback
  • Formaat 140x220
  • 487 pagina's in zwart-wit, 0 pagina's in kleur.
  • ISBN: 9789081558709
  • Levertijd: 2-3 werkdagen
  • Prijs: € 25,95
EBOEK pdf
  • 486 pagina's. Adobe PDF.
  • ISBN: 9789081558730
  • Prijs: € 9,95
EBOEK epub
  • Pagina's afhankelijk van e-reader. ePub formaat.
  • ISBN: 9789081558730
  • Prijs: € 9,95


Samenvatting
Inhoudsopgave
Fragment
Reviews (0)
  •  

    Wanneer de nieren van de jonge advocate Eva Merlijn het laten afweten en zij de door haar gevreesde nierdialyse afwijst, besluit zij met het geld van een erfenis in een luxe privékliniek in Istanbul een nieuwe nier te kopen. Eva’s adoptiefvader, onderzoeksjournalist Thomas Merlijn, doet in opdracht van een internationale stichting onderzoek naar de activiteiten van een crimineel syndicaat dat de wereldwijde illegale handel in gestolen organen beheerst. Enkele maanden na haar niertransplantatie laat de nieuwe nier van Eva het afweten. De kwaliteit van het transplantaat en van de operatie blijken minder goed dan zij had gehoopt. Dialyse en geduldig wachten op een passende donornier lijken nu haar enige optie.

    Als Thomas Merlijn de achtergronden van de niertransplantaties in de Istanbulse privékliniek met gevaar voor eigen leven blootlegt, ontdekt hij criminele activiteiten die hij niet voor mogelijk had gehouden. Hij volgt met steun van Margery Corona, een oud SIS/MI6 agente, het bloedige spoor van het syndicaat via Jeruzalem en Caïro naar Durban. Daar weten zij door te dringen tot de leider van het syndicaat, de gerespecteerde bouwondernemer Lodewijck Blansjaar. Deze gebruikt INO, zijn bedrijf dat gespecialiseerd is in de bouw van grote ziekenhuizen, als dekmantel voor zijn illegale en criminele activiteiten. De orgaanhandelaar Lodewijck Blansjaar blijkt een dochter te hebben, die sprekend op Eva Merlijn lijkt. Rodina Blansjaar heeft de leiding over de INO-Foundation. Ze heeft geheel andere opvattingen dan haar vader. De gevolgen daarvan zijn dramatisch voor de beide vrouwen.

     

  •  

     

    Fragment uit

    De Orgaanhandelaar

    (Eerste twee hoofdstukken)

     

     

     

    (…) JGH: I do desperately need a new kidney shortly. As a matter of fact I can afford the costs of a private transplantation as mentioned on your website.

    Can you send me more detailed information about the possibilities you have in coordinating a kidney transplantation within the next months? Is that possible?

    Broker: Yes, we can provide immediate transplant.

    JGH: Where?

    Broker: There are approximately 15 countries that we work with. For the most part, the doctors have been educated in the US, return often for seminars, and speak english fluently. The standards are higher than the US. Organs come from younger, healthy donors thus second and third transplants are not necessary as is often the case when organs come from older, unhealthy donors.

    I am at your service every day. We require a good-faith deposit of US $1,000 to begin the process.

     

    Citaat uit: het e-mailcontact van de auteur met een in Sun Valley (Californië) gevestigde bemiddelaar voor (legale?) orgaantransplantaties.

     

     

     

    (...)‘Natuurlijk heb ik er spijt van, want ik voel mij nog erg zwak en de wond van de operatie is ontstoken. Ik pies bloed. Maar ik kan niemand de schuld geven behalve mijzelf,’ vertelt (…) NN. Hij trekt zijn trui omhoog en laat een paarskleurig litteken zien, de ritssluiting op zijn buik oogt als een duizendpoot. (…)

     

    Uit: NRC Handelsblad, 7 april 2011

     

     

    De dood van Juffrouw Meijer

    Moeizaam stond Juffrouw Meijer een stukje op uit haar stoel. Met haar rechter hand steunde ze op de armleuning om niet terug te vallen. Ze wilde even naar buiten kijken. Met haar linker hand schoof zij de vitrage een klein stukje opzij om beter te kunnen zien. De grote zwarte auto stond er nog steeds. Hij had een vreemd buitenlands kenteken en donkere ramen zodat Juffrouw Meijer niet kon zien of er iemand in zat. Ze kon het wel raden, omdat er sigarettenpeuken op straat naast het voorportier lagen. Net toen ze de vitrages weer wilde dichtdoen zag ze hoe het raam aan de kant van de bestuurder een stukje openging. Er verscheen een hand die een sigarettenpeuk door de spleet op straat liet vallen. Toen schoof het raam weer omhoog en bewoog er niets meer aan de auto.

    ‘Bah,’ dacht Juffrouw Meijer, ‘dat doe je toch niet. Peuken op straat gooien. En nog wel voor andermans huis!’ en ze liet zich weer langzaam terugzakken in haar leunstoel.

    Terwijl ze aan de grote zwarte auto dacht, liep er een rilling over haar rug. Gisteren had de auto er ook al gestaan. Eergisteren had ze hem opeens zien staan toen Eva thuis kwam. Eva fietste altijd een stukje over de stoep en zoals altijd had ze even tegen de ruit getikt en gezwaaid. Juffrouw Meijer had wat zitten suffen in haar stoel bij het raam en was wakker geschrokken. Haar breiwerk lag nog onaangeroerd in haar schoot. Ze had gezwaaid en was een stukje omhoog gekomen uit haar stoel om door een gleuf in de vitrages even naar buiten te kunnen kijken. Net toen ze Eva door de achterdeur binnen hoorde komen gleed de zwarte auto de straat in en stopte precies voor de deur van de familie Eerdmans aan de overkant. Daar bleef de auto onbeweeglijk staan. De motor werd afgezet en de lichten doofden. De hele middag en de hele avond had de auto daar zo roerloos staan. Af en toe had Juffrouw Meijer gekeken of hij er nog stond. Ze wist niet waarom ze steeds weer wilde weten of hij er nog stond. Misschien omdat er iets groots en dreigend van uit ging. Toen Juffrouw Meijer om half elf naar bed ging had ze nog eens speciaal uit het raampje in de voordeur gekeken. De auto stond er nog steeds. Groot en stil en zwart en dreigend. Als een soort katachtig roofdier dat op de loer lag voor zijn prooi. Daar moest ze aan denken die avond en er liep een koude rilling over haar rug. Ze was naar bed gegaan, maar ze had wel een uur wakker gelegen en geluisterd naar de vertrouwde geluiden in het huis. En naar alle vreemde geluiden van buiten. Juffrouw Meijer was een beetje bang geworden, maar ze wist niet waarvoor. Het was immers maar een auto. Maar toch, ze wist niet wie er in zat en je wist maar nooit tegenwoordig. Je hoorde zoveel vreselijke dingen op de radio. En bij sommige beelden op de televisie moest ze gewoon wegkijken.

    De volgende ochtend was de zwarte auto verdwenen. Juffrouw Meijer had hem niet horen wegrijden. Ze had opgelucht geademd, maar nu stond hij er weer. Ze wist niet hoe lang al. Nadat ze haar beide boterhammen had gegeten en haar glas melk had gedronken, ging ze altijd even een uurtje op bed liggen. Dat was meestal om een uur of één. Toen ze even na twee uur was opgestaan en met haar rollator naar haar stoel bij het raam was geschuifeld, had ze door de kier in de vitrages de auto weer zien staan. Dit keer vond ze hem nog groter en dreigender dan gisteren. Juffrouw Meijer wist niet waarom. Maar zo voelde het vandaag. Een naar gevoel was het. Ze huiverde weer. Vreemd, dacht ze. Ze was er niet gerust op, maar wat kon ze doen. Ze kon moeilijk de politie bellen omdat er een auto in de straat stond.

    Ze had haar breiwerk genomen en had verder gewerkt aan de trui voor haar kleindochter. Niet dat Juffrouw Meijer een kleindochter had. Juffrouw Meijer was niet getrouwd en had geen kinderen en ook geen kleinkinderen. Maar ze had Eva. De trui was bedoeld voor Eva en die beschouwde ze een beetje als haar kleindochter. Eva woonde op de eerste verdieping. Die had ze gehuurd. Of beter, die hadden haar ouders voor haar gehuurd. En omdat Juffrouw Meijer erg op Eva gesteld was geraakt, beschouwde zij haar als haar kleindochter.

    Juffrouw Marie-Antoinette Meijer was 87 en nooit getrouwd geweest. Ze had haar verloofde verloren aan het eind van de Tweede Wereldoorlog, een paar dagen voor de bevrijding. Een verdwaalde kogel, hadden ze haar verteld en haar daarbij aangekeken met een blik die deze verklaring tot een soort woord van troost moest maken. Juffrouw Meijer kon dat soort goedkope troost missen als kiespijn. Ze had haar verloofde eenzaam en alleen begraven. Zijn ouders waren een paar jaar eerder spoorloos verdwenen, zoals dat met zoveel joodse mensen gegaan was; op transport gezet naar het oosten, heette het toen en niemand wist precies wat daarmee bedoeld werd. Nadat ze het verlies van haar geliefde te boven was gekomen, had ze gezworen nooit te zullen trouwen en haar te vroeg overleden verloofde eeuwig trouw te zullen blijven. Een grote foto van een knappe jongeman, ‘haar Abraham,’ zoals ze hem noemde, stond op de schoorsteenmantel in de voorkamer. Een waxinelichtje brandde ervoor en Juffrouw Meijer kon altijd met gepaste trots en vol eerbied vertellen dat sinds de dood van haar Abraham en sinds het portret daar stond, het lichtje nooit uit was geweest. Haar Abraham keek toe bij alles wat zich in de kleine, vol gemeubileerde kamer afspeelde. Het was de enige foto die Juffrouw Meijer van haar verloofde had. Het was zo’n oude, bruinachtige foto, een beetje wazig vanwege de vergroting. Het origineel was een pasfotootje van Abraham geweest, dat Juffrouw Meijer op een heel speciale plaats zorgvuldig bewaarde. Ze was er zuinig op, zowel op het pasfotootje, dat haar Abraham nog zelf had laten maken, als op de vergroting aan de muur. De foto hield haar herinnering aan haar Abraham levend, al meer dan 65 jaar.

    Na de oorlog had Juffrouw Meijer haar studie Frans afgerond en was ze lerares op de Rijks-HBS geworden. Later was het een Havo-Atheneum geworden. Bijna 40 jaar lang had Juffrouw Meijer de kinderen van de eerste tot en met de vijfde en later de zesde klas de beginselen en de schoonheid van de Franse taal bijgebracht. In de vakanties ging ze elk jaar met haar twee vriendinnen op stap. Ze kon toen nog prima lopen. Elke zomer de Vierdaagse van Nijmegen – meer dan vijfentwintig keer – en vaak wandelen in Frankrijk natuurlijk. Maar de beide vriendinnen waren er niet meer. Josefina was allang geleden overleden, verongelukt bij het bergbeklimmen, een sport waar Juffrouw Meijer niets van begreep, omdat ze hoogtevrees had. Mariëlle, haar andere vriendin leefde nog, maar kon zich dat zelf nauwelijks meer herinneren, als gevolg van de Ziekte van Alzheimer. Het leek Juffrouw Meijer een wreed lot, waarvan ze hoopte dat het haar bespaard zou blijven. Een jaar of drie geleden was ze nog bij Mariëlle op bezoek geweest, maar die had haar niet eens meer herkend. Juffrouw Meijer was weer weggegaan en besefte opeens dat zij als enige van het drietal was overgebleven. Helder van geest was ze nog, maar slecht ter been. Gelukkig had ze Eva!

    Juffrouw Meijer woonde nog steeds in het huis van haar ouders in de statige wijk Oog in Al in Utrecht in een zijstraat van de Haydnlaan. In dit huis was zij geboren – nou ja, bij wijze van spreken dan. Want de zwangerschap van haar moeder en haar geboorte waren moeizaam geweest en de huisarts had haar moeder daags voor de geboorte naar het Academisch Ziekenhuis aan de Catharijnesingel gestuurd, waar de kleine Marie Antoinette ter wereld was gekomen. Ze was enig kind gebleven en had het huis en het vermogen van haar ouders geërfd toen die overleden waren. Door hard werken en zuinig leven hadden haar ouders een vermogen bij elkaar gespaard. Marie Antoinette wist daar natuurlijk niets van. Over geld sprak je in die tijd niet met je kinderen. Pas toen ze na het onverwachte overlijden van haar ouders bij de notaris moest komen ontdekte ze, dat ze opeens een vermogende vrouw geworden was. Het vermogen stond  op een kleine bank die het vertrouwen van haar vader had. Ze liet het geld daar staan en gaf opdracht het goed te beheren en haar een kleine maandelijkse toelage uit te betalen. Eerst bovenop haar salaris, later als aanvulling op haar AOW en haar pensioen. Ze maakte haar maandgeld zelden op, schonk elke maand een aanzienlijk bedrag aan een paar organisaties die arme kindertjes in Afrika hielpen en stortte de rest terug op haar rekening. Zo groeide haar vermogen gestaag verder. Juffrouw Meijer zat goed in de slappe was, zoals de buurtbewoners het achter voorgehouden hand wel eens tegen elkaar zeiden. Net als haar ouders leefde Juffrouw Meijer zuinig. Haar warme eten werd de laatste jaren elke dag bezorgd door ‘Tafeltje Dek Je’ en Eva deed voor haar de kleine boodschappen. Elke donderdag aan het eind van de middag kwam ze bij juffrouw Meijer een kopje thee drinken. Juffrouw Meijer genoot ervan als Eva bij haar zat en haar vertelde van haar werk en van alle andere dingen die in haar jonge leven belangrijk waren. Ze nam ook altijd een pen en papier mee en maakte samen met haar het boodschappenlijstje voor de komende week: brood, margarine, jam, wat vleeswaren en wat kaas, twee pakken melk, koekjes voor bij de koffie en de thee en soms nog wat andere dingen voor de zelfverzorging, zoals Juffrouw Meijer de persoonlijke hygiëne altijd noemde. Veel had Juffrouw Meijer niet meer nodig. Ze leefde bescheiden en een beetje teruggetrokken. Ze las elke dag de krant, zo ongeveer de enige luxe die ze zich nog veroorloofde en keek soms naar de Franse televisie. Sinds er kabeltelevisie was kon ze de Franstalige Belgische televisie ontvangen – ‘wat een vreselijk Frans spreken ze daar,’ was haar vaste commentaar – maar ze genoot sinds kort vooral van de Frans- en Duitstalige culturele zender Arte – ‘natuurlijk kijk ik alleen naar de Franse versie’ – en ze kon zelfs de Franse TV5 Monde ontvangen. Maar meestal las ze Franse boeken en breide ze truien. Mooie warme, Noorse truien in kleuren waarvan ze wist dat ze bij Eva in de smaak vielen: Rood en geel en blauw.

    Juffrouw Meijer was blij dat ze Eva in huis had. Zij beschouwde Eva echt als haar kleindochter. Het was zo ongeveer het enige menselijke contact dat haar nog gebleven was. Behalve natuurlijk de buren en de huisarts en de krantenjongen, de jongen van ‘Tafeltje-dek-je’  en de postbode. En soms een collectant voor een of ander goed doel. Daar gaf ze altijd iets aan. Ze had vooral bewondering voor de collectanten die in weer en wind op pad gingen voor een goed doel. Ze zetten zich belangeloos in voor anderen, zonder er iets voor terug te verwachten. Dat alleen al moest beloond worden. Ze had er een speciaal bakje voor achter de voordeur hangen. Daar zat altijd wat kleingeld in voor de collectanten. Zo had ze het van haar moeder geleerd. Aan collectanten geef je iets zolang je iets hebt.

    Meer mensen kwamen er bij juffrouw Meijer niet meer langs. Het was stil geworden op de begane grond van het grote huis. Maar boven, op de eerste verdieping daar was leven. Daar woonde Eva!

    Eva was een mooie jonge vrouw, met een warme uitstraling en de kracht en schoonheid van een fotomodel. Als juffrouw Meijer zo aan haar dacht geneerde ze zich altijd een beetje. Maar ze moest ook glimlachen over zichzelf. Als oude vrouw mocht ze een jonge vrouw best mooi vinden, vond ze.

    Eva was lang en slank. Ze was een meter vierentachtig, had ze wel eens verteld. Haar lengte maakte dat juffrouw Meijer, die zelf klein van stuk was, tegen haar op moest kijken. Dat moest sowieso omdat Juffrouw Meijer meestal in haar stoel voor het raam zat. In de erker, zodat ze alles wat op straat gebeurde in de gaten kon houden. Zoals nu de grote zwarte auto. Juffrouw Meijer maakte zich zorgen over de auto en het feit dat hij al twee keer tegelijk met Eva de straat in was komen rijden. Net alsof de auto haar volgde. Onzin, natuurlijk, maar toch. Eva had een bronskleurige huidskleur en lang krullend pikzwart haar dat ze meestal in een krullige warboel los over haar schouders liet hangen. Het was een beetje vreemd haar. Juffrouw Meijer had er een keer met haar hand over gestreken en gevoeld dat het anders aanvoelde dan haar eigen haar. Eva was half Europees en half Afrikaans en dat maakte haar zo buitengewoon mooi. Eva had zachte regelmatige gelaatstrekken. Ze had vrolijke donkere ogen die soms ondeugend konden fonkelen, maar van het ene op het andere moment vol emotie konden glimmen. Ze kon je soms met een haast magische blik aankijken, vol weemoed en met een vleugje verdriet.

    Eva was advocaat en Juffrouw Meijer had zich haar wel eens voorgesteld in een kleine bedompte spreekkamer in een gevangenis met een gevaarlijke misdadiger die zij moest verdedigen. Ze kon zich dan goed indenken dat zo iemand haar geen geheim kon onthouden en zijn hart voor haar uitstortte. Als Eva naar je luisterde, dan moest je haar wel alles vertellen. Haar ontwapende blik, haar ernstige of vrolijke glimlach, het maakte haar alleen maar mooier. Juffrouw Meijer had haar wel eens gezegd dat zij vond dat ze het prima gedaan zou hebben als fotomodel. Eva had gelachen en gezegd dat fotomodel voor haar geen optie was. Zij wilde iets meer met haar leven doen dan poseren voor een camera en parfums, kleren of dure auto’s aanprijzen. Ze had ervoor gekozen strafadvocate te worden. En ze wilde een goede advocaat zijn, met hart voor haar cliënten. Daarom werkte ze meestal aan zaken met cliënten die het slechter getroffen hadden in het leven dan zij en die door allerlei oorzaken in de problemen waren gekomen. Ze was partner geworden bij een advocatencollectief. Dat verdiende niet veel, maar het gaf haar wel voldoening. Eva had met haar achtentwintig jaar haar plek in het leven wel gevonden. Juffrouw Meijer was blij dat ze haar aan het begin van haar studie, ruim negen jaar geleden, in huis had genomen. Vanaf het begin had Eva op de bovenverdieping gewoond. Eerst samen met een Turks-Nederlandse vriendin die medicijnen studeerde. Die vriendin was vier jaar geleden afgestudeerd en toen verhuisd. Dat gebeurde heel plotseling. Zonder echt afscheid te nemen was ze van de ene op de andere dag verdwenen. Ze was met vakantie naar Turkije gegaan en niet meer teruggekomen. Waarschijnlijk uitgehuwelijkt of zoiets, dacht Juffrouw Meijer. Eva had wel eens verteld dat ze het ook niet wist, omdat ze haar uit het oog had verloren. Sindsdien huurde Eva de hele bovenverdieping voor zich alleen.

    Juffrouw Meijer legde haar breiwerk op het tafeltje naast haar stoel, kwam moeizaam overeind en pakte de handgrepen van haar rollator. Ze liep met kleine stapjes langzaam de voorkamer door en in de achterkamer om de grote tafel heen, om in de keuken thee te gaan zetten. Ze deed het water in de elektrische waterkoker en drukte op het knopje met het rode lampje. Even later begon het apparaat te brommen en te pruttelen. Ze pakte de theepot, spoelde hem van binnen onder de kraan om met heet water en pakte het theefilterzakje. Ze deed er twee schepjes thee in en hing het zakje in de theepot. Toen het water kookte en de waterkoker zichzelf had uitgeschakeld, goot ze het water voorzichtig over de thee en keek op de klok. Vijf voor vier. Precies op tijd. Juffrouw Meijer dronk altijd om vier uur twee kopjes thee en nam daar twee koekjes bij. Dat was de tweede luxe die ze zich dagelijks permitteerde: twee koekjes bij de thee, meer niet. Om elf uur een kopje koffie. Bij de koffie een plakje koek met een beetje boter of een cracker met kaas en om vier uur twee kopjes thee met twee koekjes. Juffrouw Meijer hield van vaste gewoonten. Dat gaf zekerheid. Ze had een hekel aan plotselinge veranderingen. Misschien dat ze zich daarom wel ongerust maakte over die vreemde, grote, zwarte auto in haar straat.

    Ze zette de theepot, het kopje en het schoteltje met twee koekjes op het blad van haar rollator en schuifelde terug naar haar stoel bij het raam in de voorkamer. Ze hoorde de brievenbus kleppen en de doffe plof van de krant op de mat. De krantenjongen reed zoals elke dag vlak langs het raam, keek over de vitrages heen naar binnen en zwaaide naar haar. Zij zwaaide met haar linker hand terug, terwijl ze met haar rechter hand op de handgreep van de rollator steunde, om haar evenwicht te bewaren. Zo deden ze dat elke middag tegen vier uur. Toen ze bij haar stoel gekomen was deed ze de vitrages weer een stukje opzij en keek of de zwarte auto er nog stond. Hij stond er nog even groot en zwart en dreigend. Ze zette de theepot, het kopje en het schoteltje op het tafeltje naast haar stoel. Toen liep ze langzaam naar de voordeur, pakte met de lange grijper die Eva voor haar had gekocht en die bij de voordeur stond de krant van de mat, legde die op de rollator en schuifelde terug naar haar stoel. Ze wist uit ervaring dat de thee nu precies genoeg getrokken had. Als ze nu een kopje inschonk kwam het zakje precies boven de thee te hangen. Ze liet zich langzaam in haar stoel zakken, boog voorover en schonk haar eerste kopje thee in. Ze zag dat het filterzakje nu net boven de thee hing. Precies goed. Ze zette de theepot weer terug op het onderzettertje, pakte haar kopje en leunde genoegelijk achterover. Voorzichtig blies ze in haar kopje en toen de temperatuur iets gezakt was nam ze een slokje. Ze zette het kopje naast zich op het tafeltje, pakte een koekje en nam een klein hapje. Toen nam ze de krant en vouwde hem open.

    Boven kraakte een plank. Eva was thuis. Woensdag was haar thuiswerkdag. Ze werkte vier dagen per week en zoals anderen een pappadag of een mammadag hadden om voor de kinderen te zorgen, zo had Eva haar vaste vrije dag. Ze had wel eens verteld dat het moeilijk was geweest de woensdag te claimen omdat zij immers geen kinderen had. Maar ze had voet bij stuk gehouden en uiteindelijk haar zin gekregen. Het was ook wat, als vrouwen gestraft werden omdat ze geen kinderen hadden. Juffrouw Meijer was kwaad geworden toen Eva haar het verhaal verteld had. Ze vond het een schande. Discriminatie had ze het genoemd en ze was geschrokken van haar eigen woorden omdat Eva een donkere huidskleur had. Maar Eva was het met haar eens geweest. Eva was een sterke vrouw, die voor haar eigen belangen opkwam als dat nodig was. Nou, vond Juffrouw Meijer, in dit soort zaken was dat nodig. Wis en zeker!

    De woensdag was de dag dat Eva haar huishoudelijke werk deed. Dat van Juffrouw Meijer nam ze dan meteen mee. De wasmachine draaide een keer per week voor haar en een keer per week voor Juffrouw Meijer. De afwasmachine draaide elke avond voor hen beiden. Vanaf het begin hadden ze afgesproken dat Eva een beetje zou helpen in de huishouding en vooral een oogje in het zeil zou houden. Ze hoefde dan ook maar weinig huur te betalen. Tweehonderdvijftig euro per maand voor een hele etage met twee grote kamers en een badkamer en vrij gebruik van de keuken. Daarvoor deed ze een keer per week de boodschappen en hielp ze Juffrouw Meijer met de afwas en de was. Alle andere huishoudelijke taken werden door Chantal gedaan, de hulp in de huishouding die twee keer per week kwam voor het stofzuigen, het stof wissen, de ramen en dat soort klussen. En voor haar lichamelijke verzorging kwam het meisje van de thuiszorg twee keer per week langs. Tegenwoordig heette dat zo, maar voor Juffrouw Meijer was Bea nog gewoon de wijkverpleegster. Zo had dat vroeger geheten en voor Juffrouw Meijer heette dat nog steeds zo. Bea hielp haar bij het douchen en de voetverzorging en al die andere bijzondere dingen. Opstaan, wassen en aankleden ging nog redelijk goed, maar voor het douchen en zo had ze hulp nodig en dat wilde ze niet aan Eva vragen. In overleg met de huisarts was toen Bea gekomen van de thuiszorg.

    Zo was er voor alles gezorgd. En omdat Eva meer deed dan alleen maar wat afgesproken was en omdat Eva zo’n schat van een meid was, beschouwde Juffrouw Meijer ‘haar’ Eva als haar kleindochter. Elke zondag ging Eva met Juffrouw Meijer een stukje wandelen in het kleine park vlakbij of soms zelfs iets verder langs het kanaal bij de oude fabriek die afgebroken was en waar nu gebouwd werd of langs de vaart waar de woonboten lagen. Veel meer zat er niet meer in. De gewrichten van Juffrouw Meijer waren versleten. Ze bewoog moeizaam en het lopen was soms pijnlijk. Twee versleten heupen, had de orthopeed gezegd maar Juffrouw Meijer wilde geen kunstheupen. Daarvoor vond ze zichzelf te oud. Ze was gebonden aan haar rollator, ook in huis. Dat ging prima. Aan de arm van Eva dorst ze de straat wel over te steken en kon ze even genieten van de frisse lucht en een beetje beweging. Eva vertelde haar dan altijd verhalen. Over haar ouders en vooral ook over haar land. Alles wat ze daarvan wist had ze van horen zeggen, want ze was pas zes maanden oud geweest toen haar ouders haar hadden geadopteerd en vanuit Kenia meegenomen naar Nederland. Hoe oud precies, dat wist niemand. Zo ging dat in die tijd in die streken. Van haar ouders wist ze dat haar biologische moeder kort na haar geboorte was gestorven vlakbij een vluchtelingenkamp aan de grens van Somalië en Kenia en dat haar biologische vader vermoedelijk een blanke man was. Haar moeder was hoogzwanger gevlucht voor het geweld in Somalië. Waar zij precies geboren was, wist ze niet met zekerheid. Eigenlijk wisten haar ouders en zij maar heel weinig van wat er rond haar geboorte gebeurt was. En wie haar biologische vader was wist ze evenmin. Aan haar lichte huidskleur en haar zachte gelijkmatige gezichtstrekken kon je goed zien dat Eva zowel blanke als zwarte voorouders had. Het gaf haar iets dat maakte dat Juffrouw Meijer trots op haar was, alsof ze echt een beetje haar kleindochter was.

    Aan de arm van Eva voelde Juffrouw Meijer zich veilig. Eva was echt een schat! Als Juffrouw Meijer zich een kleindochter had mogen wensen had ze Eva gekozen. Groot, mooi, een sterk karakter en ontzettend lief. En daarom had Juffrouw Meijer een paar maanden geleden zonder Eva er iets van te vertellen een afspraak buiten de deur gemaakt. Ze had een taxi laten komen en had zich naar haar notaris laten brengen om haar testament te veranderen. Ze had Eva tot haar enige erfgenaam gemaakt. Eva wist van niets en dat wilde Juffrouw Meijer zo houden tot na haar overlijden. Met de notaris had ze afgesproken hoe ze zich haar begrafenis wenste en hoe ze wilde dat hij Eva over haar testament zou inlichten. Eerst de begrafenis, dan de mededeling dat ze in het huis mocht blijven wonen en dan een paar weken later het bericht dat het huis en het vermogen op haar naam gezet zouden worden. De notaris zou dan verder alles met Eva regelen. Daarna was ze met de taxi naar de bank gereden en had ook daar alles geregeld. De chauffeur had haar beide keren heel lief geholpen met het in- en uitstappen en zij had hem een extra fooi gegeven. Bij de bank had ze aangegeven dat ze wilde dat die Eva net zo van dienst zouden zijn als de bank haar en haar ouders van dienst waren geweest. De jongeman van de bank had dat afgesproken met haar en met de notaris had ze afgesproken dat die erop zou toezien. Zo had ze alles over haar laatste wil goed geregeld.

    Juffrouw Meijer boog voorover om haar tweede kopje thee in te schenken toen ze Eva de trap af hoorde komen.

    ‘Eva,’ riep ze.

    ‘Ja Juffrouw Meijer,’ reageerde een vrolijke, warme stem gevolgd door een kort klopje op de deur die daarop openzwaaide, ‘Is er iets?’

    Eva klopte altijd even op de deur als ze binnenkwam. Ook nu, hoewel Juffrouw Meijer haar had geroepen. Eva was bescheiden en beleefd. Echt een goed opgevoed meisje en daar hield Juffrouw Meijer van.

    ‘Nee, eh. Ik vroeg me alleen af, eh,’ aarzelde Juffrouw Meijer. Eva glimlachte breed en keek haar met een iets scheef gehouden hoofd aan.

    ‘Eh, heb je die grote zwarte auto zien staan?’ vroeg Juffrouw Meijer.

    ‘Oh, die BMW. Die stond er gisteren ook al. Heeft een Roemeens nummerbord. Er staan wel vaker Bulgaarse of Poolse of Roemeense auto’s in de straat. Hoezo vraagt u dat?’

    ‘Nou ik dacht, waarom staat die auto daar? Er zit iemand in, die rookt en zijn peuken op straat gooit. Er liggen er al een heleboel naast de auto.’

    Eva liep naar de erker waar Juffrouw Meijer zat en keek over de vitrages naar buiten. Nu zag ze het ook. Een heleboel peuken op straat.

    ‘Bah’ dacht ze. ‘Ik zou me daar maar geen zorgen om maken,’ zei ze. Die gaat wel weer weg. Gaan vast naar de automarkt en wachten hier. Daar mogen ze niet meer wachten,’ zei ze en zonder een reactie van Juffrouw Meijer af te wachten ging ze verder: ‘Ik ga even weg, maar ik ben over een uur of twee wel weer terug. Naar de bloedbank, ik moet weer bloed geven. En u hebt mijn mobiele nummer voor als er iets is,’ voegde ze er aan toe en keek Juffrouw Meijer onderzoekend aan. Naast haar op het tafeltje lag de telefoon te wachten. Juffrouw Meijer keek er even naar. Het feit dat de telefoon binnen handbereik lag gaf haar een beetje een gevoel van veiligheid als Eva er even niet was.

    ‘Is er nog iets anders?’ vroeg Eva.

    ‘Nee, ga maar gerust, hoor,’ zei Juffrouw Meijer, ‘de telefoon ligt hier naast mij en ik weet dat jouw mobiele nummer onder de één zit.’ Eva keek naar Juffrouw Meijer en naar de telefoon en glimlachte.

    Juffrouw Meijer wist dat Eva bloeddonor was. Twee keer per jaar ging ze naar het donorcentrum om bloed te geven. Ze had een bijzondere bloedgroep, dat had ze een keer verteld. En, dat als ze ooit zelf een keer bloed nodig zou hebben, dat er dan een probleem zou kunnen zijn. Maar ze had erbij gelachen en gezegd dat zij toch nooit bloed nodig zou hebben. Ze was kerngezond, keek altijd goed uit in het verkeer …

    ‘Hebt u nog iets nodig?’ vroeg Eva.

    ‘Nee hoor lieverd, wat ik nodig heb kan tot morgen wachten. Ga jij maar. Zal je voorzichtig zijn! Het is al donker aan het worden en de straatverlichting doet het niet overal.’

    ‘Ja hoor, Juffrouw Meijer. Maar dat weet u toch!’

    ‘Ja, maar ik wil het je toch weer op het hart drukken.’

    ‘Goed, dan: ik zal voorzichtig zijn,’ zei ze met en brede glimlach en ze draaide zich om, legde even haar hand op de arm van Juffrouw Meijer en liep de kamer uit. Bij de deur draaide ze haar hoofd even om.

    ‘Tot straks,’ zei ze.

    ‘Ja tot straks,’ zei Juffrouw Meijer.

    Ze hoorde hoe Eva haar jas van de kapstok pakte en door de keuken naar de achterdeur liep. Ze hoorde de achterdeur open gaan en weer dichtgaan. Ze hoorde het geluid van de sleutel die in het slot omgedraaid werd. Ze hoorde de voetstappen van Eva op het terras en het piepen van de deur van het schuurtje. Toen hoorde ze de klap van het poortje. Daarna was het weer stil in en om het huis. Doodstil, dacht Juffrouw Meijer en ze schrok van haar eigen gedachte. Even later zag ze Eva op de fiets over de stoep langs het raam rijden. Dat deed ze altijd. Ze zwaaide met een ontspannen glimlach op haar gezicht en Juffrouw Meijer zag hoe het rode achterlichtje van haar fiets om de hoek verdween.

    ‘Zo’n mooie, vrolijke meid,’ dacht Juffrouw Meijer.

    Ze kwam weer even een stukje uit haar stoel overeind, schoof met haar linkerhand de vitrages een beetje open en keek naar buiten. Ze zag nog net, hoe de grote zwarte auto geruisloos en dreigend weggleed. Even kwam er een lichte paniek op. De auto reed weg in dezelfde richting waarin Eva verdwenen was. Ze liet zich terugzakken in haar stoel en keek naar de telefoon. Een moment bleef ze onbeweeglijk zitten, toen schudde ze energiek haar hoofd, pakte haar breiwerk en doorbrak de doodse stilte met het getik van de breipennen. Een vertrouwd geluid. Het zou een hele mooie trui worden, dacht Juffrouw Meijer.

    Eva merkte niet dat de zwarte BMW haar op een afstand volgde. De chauffeur had enkel zijn rijlichten aangedaan, zodat hij zichtbaar was voor het overige verkeer, maar zo min mogelijk zou opvallen als Eva achterom zou kijken. Af en toe stopte de auto om de afstand tussen hem en Eva wat groter te laten worden. Kennelijk wist de chauffeur waar Eva heen ging en kende hij de omgeving. Maar omdat Eva zich van niets bewust was maakte dat niet veel uit. Had ze geweten dat de auto haar zou volgen en had ze achterdocht gekregen, dan nog was de kans uiterst klein geweest dat zij of Juffrouw Meijer de kleine onopvallende microfoontjes ontdekt hadden die in het huis waren aangebracht. Dankzij die elektronica wist de chauffeur precies waarheen Eva op weg was. Hij kon haar niet uit het oog verliezen en dat was goed. Dat was immers hun opdracht. En die zouden ze uitvoeren, precies zoals hen was opgedragen.

    Vorige maand had Juffrouw Meijer een brief gekregen van de elektriciteitsmaatschappij. Ze zouden langs komen om het een en ander te controleren. Ze woonde in een oud huis uit de dertiger jaren en dan was het goed als de leidingen af en toe gecontroleerd werden, had ze gedacht. Er stond een telefoonnummer in de brief. Juffrouw Meijer had dat nummer gebeld om zeker te weten dat het allemaal klopte. Een meneer aan de andere kant van de lijn had haar vriendelijk te woord gestaan en de inhoud van de brief bevestigd. Hij had een buitenlands accent gehad, maar dat was niets bijzonders in deze tijd, dacht Juffrouw Meijer. De elektricien die een paar dagen later voor de deur had gestaan, had zich keurig gelegitimeerd. Hij had in de meterkast het een en ander nagemeten en was toen een keer aandachtig door het huis gelopen om, zoals hij gezegd had, de leidingen, stopcontacten en schakelaars te controleren. Eva was met hem meegelopen en ze had later gezegd dat alles in orde was. Oud, maar verder wel in orde, had de man gezegd. Eva had niet gemerkt dat de man in de beide kamers boven hele kleine microfoontjes geplaatst had. In een schakelaar die hij losgeschroefd en weer vastgezet had, onder de kap van een staande lamp waarvan hij de vitting gecontroleerd had. Een paar dagen later was er weer iemand van het elektriciteitsbedrijf aan de deur geweest. Maar dat bleek een vergissing te zijn. Hij had zich ook gelegitimeerd, had Juffrouw Meijer verteld. Hij had wel vreemd gekeken, maar zich netjes verontschuldigd en was weer gegaan. Overal worden wel eens foutjes gemaakt. Eva noch Juffrouw Meijer hadden er verder bij stil gestaan. Ze wisten niet dat ze sindsdien afgeluisterd werden door de twee mannen in de grote zwarte auto.

    Achter het stuur van de zwarte BMW zat Mirko en schuin achter hem Yusuf. Mirko, de Roemeen, was klein en gespierd. Hij had blond lang haar dat hij met een elastiekje tot een paardenstaart had gebonden. Ondanks de tijd van het jaar droeg hij een poloshirt. Op zijn armen waren tatoeages aangebracht. In zijn nek het plaatje van een schorpioen. Als hij kwaad werd en zijn halsaderen zwollen op,  dan was het net alsof de schorpioen zijn stekel bewoog. Yusuf, de Turk, was een kleine, magere, donkere man. Hij droeg een borstelige snor onder zachte, vriendelijke, donkerbruine ogen. Zijn haar was kortgeknipt op de manier waarop de Amerikaanse militairen dat deden. De combinatie van de snor, het korte haar, zijn magere postuur en zijn te lange armen en benen gaven hem het uiterlijk van een vogelverschrikker. Yusuf was tot zijn ontslag geluidstechnicus geweest bij de Turkse radio. Hij bediende de ontvangst- en opnameapparatuur die in een grote aluminium koffer naast hem op de achterbank stond. Het interesseerde de twee mannen niet dat het strafbaar was, dat zij de beide vrouwen afluisterden. Zij hadden een duidelijke opdracht en die voerden zij uit: Eva Merlijn volgen en al haar stappen zo nauwkeurig mogelijk in kaart brengen. Ze wisten niet waarom hun baas in de mooie, jonge vrouw met het warrige, lange haar en de donkere huidskleur was geïnteresseerd. Ze konden er zich wel iets bij voorstellen. Victor Antonov spaarde immers mooie vrouwen, zoals anderen oude auto’s. Maar meestal haalden zij nieuwe vrouwen uit Rusland, Moldavië of Bulgarije, nooit uit een westers land. Dat was veel te riskant, vonden zij. Meestal ging het om meisjes van hooguit zestien jaar, die er nog uitzagen als speelgoedpoppetjes en snel omgevormd konden worden tot echte, kleine hoertjes. Hun baas hield van hele jonge meisjes die hij, vooral in Istanbul, inzette De controle door de politie stelde er niet veel voor en de kans voor de meisjes om te ontsnappen was gering. Hij zorgde er wel voor dat ze geen Turks spraken en geen papieren hadden. En hij deelde aan de Turkse politiemensen geld uit zodat ze een andere kant op keken als hij dat wilde. Istanbul was veilig voor de duistere zaken van Victor Antonov. Hij bestelde de meisjes zoals anderen een tweedehands auto uitzochten. Ongeveer zestien jaar, maar het mocht ook een jaartje jonger of ouder. Liefst lang haar en donkere amandelogen. Ze moesten afkomstig uit een klein dorpje en nog onervaren zijn. Victor werkte met heel nauwkeurige specificaties. Hij wist wat Turkse mannen wilden en precies dat leverde hij. Mirko en Yusuf zorgden voor de aanvoer. Meestal mochten ze de meisjes eerst een paar keer proberen voordat ze bij Victor in training kwamen.

    Maar dit keer was hun opdracht anders geweest. Ze werden naar Nederland gestuurd, om in Utrecht een zekere Eva Merlijn op te sporen, haar gedurende een aantal weken onopvallend te volgen en alle details over haar leven nauwkeurig te rapporteren. Maar ze moesten haar met rust laten. Afluisteren, volgen, maar verder niets doen. Mirko kende Utrecht van de automarkt, waar hij vroeger vaak kwam. Dan reden ze in een kleine trailer met aanhanger met zes man in drie dagen naar de automarkt en met zes auto’s weer terug. En dat elke week weer. De handel in tweedehands auto’s was de moeite waard. Ze konden er mooi geld mee verdienen. Mar een paar jaar geleden had de chauffeur, Victor, hem een ander voorstel gedaan. Geen auto’s meer, maar meisjes voor Istanbul. Hij had niet lang geaarzeld en zijn kroegvriend Yusuf als partner meegenomen. Samen vormden ze een vast team. In de afgelopen jaren hadden ze meer dan vier dozijn meisjes uitgezocht, meegenomen, uitgeprobeerd en bij Victor afgeleverd. En nu moesten ze terug naar Utrecht.

    Het was voor Mirko niet moeilijk om de straat en het huis te vinden. Ze hadden met behulp van een oude truc de microfoontjes geplaatst in het huis en hoefden allen maar te wachten op wat er zou gebeuren. Ze konden alle geluiden in het huis horen en ook al konden ze niet alles verstaan, sommige geluiden waren heel herkenbaar voor hen. Mirko sprak voldoende Nederlands en kon delen van de gesprekken die ze hoorden een beetje begrijpen. Hij had vroeger een paar jaar illegaal in de asperges gewerkt en was de leider van de twee. Hij had de naam en het adres gekregen samen met een foto van een vreselijk mooie vrouw. Hij had meteen begrepen dat dit een heel ander soort vrouw was dan waar ze gewoonlijk mee te maken hadden. Dit was geen hoer in wording. Deze vrouw was van een heel ander kaliber. Hiermee was Victor iets anders van plan. Maar wat, dat wist hij niet. Hij wist ook niet wie de opdrachtgever van de baas was. Hij zorgde er steeds zorgvuldig voor om zo min mogelijk te weten. Maar uit de woorden van de baas had hij opgemaakt dat de opdracht van ver was gekomen, uit Rusland van Vladimir Vladimiroff. Die had de vraag weer gekregen vanuit Durban in Zuid Afrika. Eigenlijk interesseerde het hem helemaal niet. Hij voerde gewoon opdrachten uit en kreeg daarvoor betaald. Meer niet. Victor Antonov had iets gezegd over een invloedrijke buitenlandse opdrachtgever en dat hij zorgvuldig te werk moest gaan, omdat er veel afhing van deze opdracht. Maar meer wist hij niet. In het papiertje met zijn instructies hadden een paar trefwoorden over de vrouw gestaan:

    Eva Merlijn, 28 jaar, geboren in Kenia uit de relatie van een Somalische moeder met een onbekende blanke vader.

    Moeder overleden na de geboorte in de buurt van een vluchtelingenkamp in Noord Kenia. Kort daarna geadopteerd door Thomas en Esther Merlijn, uit Nederland (vader: onderzoeksjournalist met specialisatie gezondheidszorg, moeder: huisarts).

    Stiefouders woonachtig in een dorpje op de Veluwe in een oude, verbouwde boerderij aan de rand van de bossen.

    Enig kind, werkzaam als advocate bij een groot advocatencollectief. Heeft geen vaste vriend, wel clubje vriendinnen met wie ze af en toe zaterdags gaat stappen in de Utrechtse binnenstad.

    Favoriete café: Number One aan de Oude Gracht.

    Bloeddonor (probeer bloedgroep vast te stellen).

    Speelt sinds naar studietijd badminton, was lid van een studentenvereniging.

    Inwonend (eerste verdieping) bij Juffrouw Marie-Antoinette Meijer, ongehuwd, 87 jaar, geen kinderen, zonder verdere familie (begane grond).

    Opdracht: enkele weken (tot nader order) onopvallend de bewegingen en contacten van Eva Merlijn in kaart brengen. Indien mogelijk geluidsopnamen maken van alle gesprekken in huis. Probeer enkele hoofdharen van haar te verzamelen. Verder geen actie. Beide personen met rust laten. Rapportage wekelijks per e-mail en na afloop van de opdracht. Alle originele opnames digitaal meeleveren.

    Toen hij het adres, de beschrijving en de details van de opdracht gelezen had en ze uit zijn hoofd kende had hij het briefje verbrand. Vooral geen sporen achterlaten. Hij wist dat als ze ooit een keer door de politie opgepakt zouden worden, ze dan heel erg alleen zouden zijn. Victor Antonov zou hen niet kennen. Er was op geen enkele manier een verbinding met hem of met Vladimir Vladimiroff te maken. Op enige hulp hoefden ze niet te rekenen. Dat waren de spelregels. Net zoals de onverholen dreiging dat als ze ook maar iets over hun opdrachten zouden verraden, dat Victor dan hun familie en op termijn ook henzelf zou weten te vinden. En hij wist dat diens arm lang was. Afrekeningen waren een kleinigheid voor hem. Er viel op dat punt niet met hem te spotten. Hij betaalde goed en dus eiste hij van hen vakmanschap en inzet. Mirko zorgde er voor dat zijn baas tevreden met hem was. Ze maakten steeds gebruik van andere auto’s. Nooit gestolen, altijd legaal gekocht, maar nooit in het land waar ze werkten. Hun veiligheid ging boven alles. Hij wilde na afloop van de opdracht wel weer veilig thuiskomen. Daar wachtten zijn vrouw en kinderen, die het geld dat hij met deze opdrachten verdiende goed konden gebruiken. Van zijn verdiensten kon zijn gezin in Roemenië prima leven en daar ging het om.

    Eva fietste in een rustig tempo in de richting van de Haydnlaan en verder via de Pijperlaan, de Martin Luther Kinglaan op, over de Meernbrug en langs de Leidsche Rijn, de stenen brug over en rechtsaf de Burgemeester Verderlaan in. Mirko volgde haar niet. Hij wist waar ze heen reed. Hij draaide rechtsaf de Haydnlaan op en reed over de brug, linksaf langs de koffiefabriek, via de Verlengde Vleutenseweg en over de gele brug, voorbij de grote rode Vredenburg kubus over de A2 met de vreemde piramide en linksaf de busbaan op. Bij de Paperdome draaide hij linksaf de donkere smalle slingerweg op richting Leidsche Rijn. Hij had de weg nooit eerder gereden maar hij had op zijn TomTom gezien waar de bloedbank was en het adres ingegeven. Hij volgde het spoor op het scherm van zijn navigatiesysteem. Bij de stoplichten sloeg hij rechtsaf, tegenover de grote flat met de kapsalon ‘Marna’ linksaf de Burgemeester Verderlaan in en meteen weer de eerste straat rechts. Daar parkeerde hij zo langs de stoep dat hij in zijn achteruitkijkspiegel een stukje van de Burgemeester Verderlaan in de gaten kon houden. Hij doofde de lichten en ze wachtten af. Het duurde even voordat hij Eva, vanaf de kant van de Zandweg, langs zag fietsen. Ze reed even verder door een openstaand hek rechtsaf het voorplein van een van de kantoorpanden op. Daar zette ze haar fiets in het fietsenrek en ging het gebouw binnen. Van waar zij stonden kon Mirko het logo met de vreemde vogel en zoiets als ‘knabdeolB niuqnaS’ in spiegelbeeld op het dak van het gebouw net herkennen. Hij glimlachte toen hij probeerde de vreemde woorden te lezen. Hij dacht er even aan hoe ze dat vroeger als kinderen ook gedaan hadden, woorden achterstevoren uitspreken bij wijze van geheimtaal. Sanquin Bloedbank stond er op het dak.

    Toen Eva in het gebouw verdwenen was, startte hij de motor, reed een blokje om en parkeerde de auto onder de hoge kastanjebomen aan de Burgemeester Verderlaan zodat hij, weggezakt in zijn stoel de ingang van het kantoorpand in de gaten kon houden. Alleen op de tweede verdieping van het gebouw brandde licht. Hij doofde de lichten van de auto, stak een sigaret op, reikte zijn pakje en zijn aansteker naar achter en de beide mannen wachtten af.

    ‘Heel goed,’ mompelde hij. Het klopte met wat ze gehoord hadden: Eva had gezegd dat ze bloed ging geven.

    ‘Hier kunnen we niks horen,’ zei Yusuf achterin de auto.

    ‘Nee, maar straks, als ze in bed ligt des te meer,’ grinnikte Mirko.

    ‘Hoe lang nog’?

    ‘Tot ze weer thuis is, dan gaan we naar het hotel terug.’

    ‘O.k. Ik ben moe.’

    ‘Ik ook, maar opdracht is opdracht’

    ‘Ja, opdracht is opdracht’, echode Yusuf. ‘Wat zou hij met deze vrouw willen?’

    ‘Geen idee. Maar als ze in ons team komt wil ik haar graag een keer uitproberen. Alleen denk ik niet dat we haar krijgen. Ik denk dat Victor iets heel anders van plan is.’

    ‘Zo. En wat dan wel?’

    ‘Weet niet, maar deze vrouw is niet het type waar hij normaal mee werkt. Zij lijkt mij, hoe zal ik het zeggen, te duur, of zo. Ze is gewoon van een heel ander kaliber dan de kleine, jonge onervaren meisjes die we in Moldavië en Roemenië zo voor hem opgehaald hebben. Hier wil hij, denk ik, iets heel anders mee.’

    ‘Zou kunnen.’

    Ze zwegen weer en wachtten af.

    Het duurde meer dan een uur voordat Eva weer verscheen. Mirko pakte de kleine verrekijker die naast hem op de stoel lag en stelde scherp op de jonge vrouw. Ze had haar jas los om haar schouders hangen. Ze sloeg hem open om haar das om te kunnen doen. In het licht van de straatlantaarns bij de fietsenstalling zag hij haar fraai gevormde profiel voor ze haar dikke jas om zich heen sloeg en dicht ritste.

    ‘Dat ziet er goed uit,’ mompelde hij en grijsde.

    Yusuf reageerde niet.

    Eva zette haar muts weer scheef op haar hoofd, pakte haar fiets, stapte op en reed vlak langs hen heen richting de Zandweg. Ze lette niet op de zwarte BMW die daar geparkeerd stond. Waarom ook? Toen ze uit het zicht verdwenen was, startte Mirko de motor en reed in alle rust de weg terug naar de straat waar Eva woonde.

    Ze stonden er al, alsof ze niet weg geweest waren, toen Eva de straat in kwam rijden. Ze stapte af bij het poortje aan het begin van de straat, liep het gangetje in en zette haar fiets in het schuurtje. Ze deed de deur van de schuur op slot, liep over het kleine plaatsje naar de achterdeur, stak de sleutel in het slot en aarzelde. Er was iets anders dan normaal. Ze voelde dat er iets niet klopte, maar ze wist niet wat. Ze keek om zich heen maar in het zwakke licht van de buitenlamp was niets bijzonders te zien. Het plaatsje was verlaten. Ze huiverde in haar dikke warme winterjas. Ze voelde zich alleen en verlaten. Ze haalde haar schouders op, deed de deur open, ging naar binnen en sloot de deur weer af. Ze knipte bij de keukendeur het licht in de keuken en in de gang aan. Weer kroop er een koude rilling over haar rug.

    ‘Juffrouw Meijer, ik ben er weer,’ riep ze het stille huis in.

    Er kwam geen reactie. Eva aarzelde. Ze had het gevoel dat het kouder was geworden in huis. Ze naam haar muts af, stak hem in haar jaszak en deed haar jas uit. Ze hing haar jas op de kapstok en aarzelde weer. Ze keek naar de gesloten kamerdeur. De deur was meestal dicht, maar ‘s avonds brandde er altijd licht in de voorkamer. Door het geribbelde bovenlicht kon ze anders altijd het licht van de leeslamp van Juffrouw Meijer zien schijnen. Maar vanavond was alles stil en donker. De stilte in huis was anders, kouder en dat het licht in de kamer niet brandde, dat bevreemde haar.

    ‘Juffrouw Meijer?’ riep ze nog eens. Er kwam geen reactie uit de kamer.

    Ze liep naar de deur van de voorkamer, klopte en aarzelde weer even. Ze wist niet waarom. Er kwam geen reactie op haar kloppen. Ze deed langzaam de deur open. Haar vingers tastten naar het lichtknopje. Toen ze het plafondlicht aangeknipt had zag ze dat er iets niet in orde was: Juffrouw Meijer zat vreemd scheef weggezakt in haar stoel voor het raam. Eva liep naar haar toe en riep nog een keer haar naam. Juffrouw Meijer reageerde niet. Ze had haar ogen gesloten en het leek alsof ze een dutje deed. Op het schoot lag haar breiwerk: het rugpand van een trui. Haar huid zag er vaal grijs en een beetje perkamentachtig uit. Haar mond was een stukje open gezakt en haar ogen staarden dof in het niets. Er hing een scherpe geur om haar heen en Eva had even de neiging om het raam open te doen.

    Zo vond Eva haar. Ze dacht eerst dat Juffrouw Meijer in slaap was gevallen. Toen ze haar hand op haar schouder legde om haar te wekken, zakte ze nog wat verder weg. Eva pakte haar hand die op de armleuning rustte. De hand voelde koud aan. Eva wist meteen dat Juffrouw Meijer overleden was. Ze huiverde bij de gedachte. Het was de eerste keer dat ze zo direct oog in oog stond met de dood. Toch wist ze intuïtief wat ze doen moest.

    Ze belde de huisarts, die in de straat woonde en meteen langskwam. Hij kon niets anders dan een natuurlijke dood vaststellen. Juffrouw Meijer was rustig ingeslapen. Een ‘mooie dood’ noemde hij het en stelde de overlijdensakte op. Hij hielp haar met het opzoeken van het telefoonnummer van een begrafenis ondernemer. Die kwamen dezelfde avond nog om het lichaam van juffrouw Meijer op te halen. Ze zouden haar opbaren in het rouwcentrum en morgen zou de medewerker terugkomen om alles rond de begrafenis verder met Eva te bespreken.

    De rest was bijna routine, ook al was Eva nooit eerder zo direct met de dood geconfronteerd geweest. Ze wist waar Juffrouw Meijer, die geen familie meer had, haar persoonlijke papieren opgeborgen had. Ze pakte de sleutel van het bureau in de achterkamer uit het kleine doosje op de schoorsteenmantel, opende de grote lade van het bureau en begon met het zoeken naar de nodige papieren. Toen ze het mapje gevonden had belde ze eerst haar ouders op en vertelde wat er gebeurd was. Ze stelde hen gerust. Het was niet nodig dat ze halsoverkop zouden komen. Ze zou haar vriendin Miriam bellen om haar te helpen. Ze zou haar vragen om vannacht bij haar te komen slapen. Eva kon het alleen wel aan, maar ze vond het wel prettig als ze niet alleen in huis hoefde te slapen vannacht. Ze zag dat Juffrouw Meijer alle instructies voor haar begrafenis netjes had opgeschreven. Een paar manden geleden had ze nog contact gehad met een notaris. Zijn gegevens vond ze in het mapje.

    De volgende ochtend belde ze eerst haar collega’s, vertelde wat er aan de hand was en zei dat ze een paar dagen vrij zou nemen. Daarna belde ze de notaris. Samen met hem regelde zij in de dagen die volgden de begrafenis, waar alleen zij met haar ouders, haar vriendin Miriam en de notaris bij waren. Na afloop van de begrafenis in het restaurant vertelde de notaris haar dat het de wens van Juffrouw Meijer was geweest dat Eva voorlopig in het huis zou blijven wonen. Hij zegde haar toe dat hij in de komende weken nog met haar contact zou opnemen. Ruim twee maanden later kreeg ze een telefoontje van de notaris die haar vroeg of ze een afspraak konden maken om het een en ander met haar te bespreken naar aanleiding van het overlijden van Juffrouw Marie-Antoinette Meijer. Ze maakten een afspraak voor de week daarop. Het gesprek met de notaris duurde meer dan twee uur.

    Drie maanden later was Eva Merlijn eigenaar van het oude huis in Oog in Al en bezat ze een vermogen dat de loop van haar leven ingrijpend zou veranderen. Ze was van de ene op de andere dag een rijke, jonge vrouw geworden. Desondanks besloot ze te blijven werken en naar buiten te doen alsof er niets aan de hand was. Alleen haar ouders waren op de hoogte van haar vermogen.

     

    Een week na de dood van Juffrouw Meijer trilde de mobiele telefoon die op het bureau lag van Lodewijck Blansjaar in zijn luxe villa midden in een natuurgebied tweehonderdvijftig kilometer ten noorden van Durban. De stem aan de andere kant van de lijn sprak Engels met een vreemd Roemeens accent. Lodewijck Blansjaar vertrok geen spier terwijl hij aandachtig luisterde naar de stem die van ver kwam maar helder klonk dankzij de uitstekende verbinding. Hij bromde af en toe ten teken dat hij nog aan de lijn was. Toen de stem uitgesproken was, bleef het even stil.

    ‘In orde,’ zei hij, ‘stuur de geluidsbestanden maar op zoals afgesproken. Zodra ik ze binnen heb stuur ik je de tweede termijn op de bekende manier. Inclusief je onkostenvergoeding. Verder geen contact meer. Dit telefoonnummer is vanaf nu afgesloten. Bedankt voor je werk. Als ik je nog een keer nodig heb, weet ik je wel te vinden. Onze Turkse vrienden hebben je adres.’

    Hij wachtte de reactie aan de andere niet af, drukte op de rode knop en verbrak daarmee de verbinding. Toen schoof hij de achterkant van de telefoon eraf, haalde de batterij en de SIM-kaart eruit, deed de batterij er weer in en schoof het deksel er op. Hij nam de telefoon en de SIM-kaart en draaide zijn rolstoel weg van zijn bureau. Hij reed de kamer uit, de grote hal door, de keuken door naar de bijkeuken en opende daar met enige moeite een zware branddeur. Hij deed het licht aan in de ruimte erachter, wachtte even tot de TL-lampen brandden, en reed naar binnen, terwijl hij de deur open liet staan. Hij reed met zijn rolstoel naar de grote allesbrander die in de verste hoek van de bijkeuken stond. Met een haak opende hij het deurtje ervan en gooide de telefoon en de SIM-kaart naar binnen. Hij sloot de deur weer en drukte op de kleine groene knop op het bedieningspaneel aan de muur. Het vuur in de allesbrander laaide op. Een felle steekvlam gevolgd door een serie kleine knallen was het gevolg. Hij leunde voorover en keek door het glazen ruitje de brander in. Hij zag dat de telefoon en de SIM-kaart vlam hadden gevat en al versmolten waren tot onherkenbare stukken walmend kunststof. Hij liet de allesbrander nog even aan staan en drukte vervolgens op de grote rode knop, waardoor het vuur even plotseling doofde als het aangegaan was. Hij draaide zich om, reed de bijkeuken uit, sloot de branddeur weer af en reed door de keuken naar zijn kantoor terug.

    Daar nam hij de andere mobiele telefoon die op zijn bureau lag en drukte een voorgeprogrammeerd nummer is. Het duurde even voor er verbinding was.

    ‘Lodewijck,’ meldde hij zich toen hij hoorde wie er in Turkije opgenomen had. ‘Ze is het. Nu moeten we afwachten. Ik neem contact op als het nodig is,’ zei hij.

    ‘In orde,’ zei een vrouwenstem in onberispelijk Engels aan de andere kant en verbrak de verbinding.

    Lodewijck Blansjaar draaide zijn rolstoel om en keek door de panorama-vensters nadenkend uit over het glooiende groene landschap dat in de verte afdaalde naar de oceaan. Links kon hij de oevers van de rivier zien die langs zijn landgoed stroomde. Aan de overzijde van het traag stromende water begon het oerwoud. De rivier, die vol zat met krokodillen, nijlpaarden en ander groot wild, vormde een natuurlijke grens van zijn landgoed. Het landgoed lag op een grote heuvel midden in een moerasachtig vochtgebied, de delta van de samenloop van vijf rivieren. In het zuiden vormde een smalle landtong de grens tussen het strand en het moerasgebied. Wie te ver van de weg in het moerasgebied terecht kwam was verloren. Op het smalle punt tussen de zee en het moeras had hij jaren geleden een hoge muur en een aansluitend hek met tal van veiligheidsmiddelen laten neerzetten. Een bewakingsteam patrouilleerde dag en nacht langs de muur en met snelle motorboten op de rivier.

    ‘Mijn land,’ dacht hij en hij keek naar de grote stafkaart en de ernaast hangende luchtfoto van zijn landgoed aan de muur naast het panorama-venster.

    ‘En het is straks ook haar land. Nee, het wordt straks hun land!’

    Hij glimlachte en drukte de telefoon nadenkend tegen zijn kin. Hij zat minutenlang onbeweeglijk naar buiten te staren. Toen draaide hij zich resoluut om, stak de telefoon in de zak van zijn jasje, drukte op een belknop op zijn bureau en reed naar de hal. Daar wachtte zijn piloot op hem.

    ‘Durban,’ was het enige wat hij zei.

    De piloot knikte, liep naar de rolstoel, pakte de handgrepen beet en duwde hem via een zijdeur naar de garage, waar hij de rolstoel met behulp van een speciale lift in een grote zwarte BMW duwde. Hij ging zelf achter het stuur zitten en reed de auto de garage uit en de brede oprijlaan van de villa af. Achter hem sloot de deur van de garage vanzelf. Hij volgde de oprijlaan en vlak voor het hek sloeg hij een smalle weg rechts in. De rit naar het kleine vliegveldje duurde tien minuten. De landingsstrip die parallel aan de brede rivier liep, was verlaten. Aan het einde ervan stond midden in een witte cirkel met een grote H een felgele helikopter. Nadat de piloot de rolstoel via een hellingbaan het toestel in had gerold en met veiligheidsriemen had vastgezet, sloot hij de deur, liep aandachtig een keer om het toestel heen, hier en daar onderdelen bevoelend, stapte in en ging na deze inspectie op zijn stoel zitten, gespte zijn veiligheidsriem vast, zette zijn helm op, meldde zich bij de luchtverkeersleiding en startte de motoren. Toen de rotoren op snelheid draaiden zette hij de machine langzaam in beweging en steeg hij langzaam op. Hij draaide het toestel in een scherpe bocht naar rechts en vloog op een hoogte van ongeveer 50 meter langs de oever van de rivier naar het noorden. Op het punt waar de rivier in de oceaan uitmondde draaide hij weer een scherpe bocht naar rechts langs het strand naar het noorden en volgde het hoge hek dat het strand scheidde van het landgoed. Toen ze over het punt vlogen waar het moerasgebied en het strand elkaar bijna raakten draaide hij weer iets naar rechts en vloog langs de hoge muur tot bij de poort. De twee bewakers bij de poort staken even hun hand op bij wijze van groet en keken de helikopter na die hoger steeg en richting Durban uit het zicht verdween. Het was een vast ritueel dat de piloot al vele jaren kende. Elke vlucht met de grote baas vanaf het landgoed naar Durban begon met een inspectievlucht langs de grenzen van het landgoed. Lodewijck Blansjaar wilde dat zo, sinds hij niet meer in staat was zelfstandig te vliegen of auto te rijden. Het leek wel alsof hij zich ervan wilde vergewissen dat de grenzen van zijn landgoed door niemand werden overschreden. Hij was gesteld op maximale privacy en investeerde veel in de bescherming van zijn krokodillen en andere wilde dieren in het moerasgebied. Zij vormden de trouwste bewakers van zijn landgoed, dat maar één enkele toegang had. De afstand van de bewoonde wereld naar zijn landgoed bedroeg zo’n honderdvijftig kilometer. De talloze klippen en zandbanken voor de kust maakten het aanlanden van daaruit vrijwel onmogelijk. Wie het risico wilde nemen en strandde of schipbreuk leed kon er bijna zeker van zijn tot prooi te worden van de talloze haaien die aan die kant de bewakers waren van zijn land. Lodewijck Blansjaar leunde achterover in zijn rolstoel, pakte de koptelefoon die naast hem hing en zei zonder de beugel over zijn hoofd te doen in de microfoon: ‘Naar het hoofdkantoor.’ Hij wist dat hij geen reactie van de piloot zou krijgen. Eigenlijk spraken ze nooit met elkaar. Maar hij wist dat hij hem blindelings kon vertrouwen. Hij was zijn rechterhand. Ze kenden elkaar al vele jaren en hij vloog al even zovele jaren de helikopter en de kleine jet van INO, dat vroeger Blansjaar International Building Projects heette. Hij glimlachte toen hij eraan dacht: ‘INO van International Noran Organization klinkt een stuk beter dan BIBP.’

    Twee uur later zat Lodewijck Blansjaar in de conferentiezaal van zijn kantoor, vlakbij het vliegveld van Durban, een vergadering voor van de directie van zijn utiliteitsbouwbedrijf INO. Op de agenda stond de officiële opening van de kleine medische hulppost op het terrein van een particulier ziekenhuis in Istanbul. Zowel de luxe kliniek als de medische hulppost voor de bewoners van de buurt, waren door INO gebouwd in opdracht van een van de rijkste families van Turkije. Door ziekte in de familie was de opening van de hulppost al enkele malen uitgesteld. Het ziekenhuis was enkele jaren eerder zonder veel gedoe in gebruik genomen. De opening van de hulppost zou groots gevierd worden. Het ziekenhuis was fraai gelegen in een park aan de oever van de Bosporus met uitzicht op Europa. De hulppost lag aan de rand van het park en was toegankelijk vanaf de straat, zodat de lokale bevolking apart behandeld kon worden van de gasten van de luxe kliniek. Met het oog op kritische geluiden in de linkse pers over het luxe particuliere ziekenhuis zou de opening van de medische hulppost voor een breed publiek toegankelijk zijn. Zo zou de eigenaar van de kliniek laten zien dat de gezondheid van de gewone burgers van Istanbul hem ook aan het hart ging. Voor de politieke positie van de familie was dat niet onbelangrijk. Lodewijk Blansjaar was voor de officiële in gebruik name van de kleine medische hulppost voor gewone burgers speciaal uitgenodigd. Hij wist dat enkele leidende politici uit Istanbul en Ankara aanwezig zouden zijn. Lodewijck zou dan gelegenheid hebben om de rest van zijn plannen met zijn Turkse vrienden te bespreken, zonder dat het verder opviel. Want als er iets was wat hij nu niet wilde dan was dat opvallen. Wat hij ging doen moest in het grootste geheim gebeuren. Er waren al teveel mensen bij betrokken, vond hij. Alleen de beide hoofdrolspeelsters wisten nog van niets. En dat moest voorlopig zo blijven. Hij glimlachte. Met hen had hij andere plannen.


    Eva Merlijn

    Door het rinkelen van haar mobiele telefoon schrok Eva wakker. Het gebeurde de laatste tijd wel vaker dat ze aan haar bureau wegsufte. Zomaar midden op de dag, terwijl ze aan het werk was, leek het alsof haar oogleden zwaar werden. Dan kon ze zomaar even wegzakken, soms maar een paar minuutjes. Het viel nauwelijks op. Laatst was een collega onverwacht binnengekomen. Ze had gelukkig niet gemerkt dat Eva uit haar hazenslaapje wakker was geschrokken. Het irriteerde haar. Het was iets van de laatste tijd. Ze weet haar vermoeidheid overdag aan haar vroege opstaan en laat naar bed gaan. Zorgen maakte ze zich er niet over, want met een paar mokken sterke koffie en veel frisse lucht kon ze alles aan, had ze het gevoel. Van het vier keer per week fietsen naar haar werk kreeg ze nieuwe energie. Haar collega’s van het advocatencollectief waren tevreden met haar werk en tot nu toe had geen van hen gemerkt dat ze soms wegsufte. Gelukkig maar, want ze zou het vervelend hebben gevonden. Ze had het druk de laatste tijd. Haar zaken namen veel tijd in beslag. Ze had een paar ingewikkelde zaken bij de hand. Een geval van kindermishandeling door een man die ook verdacht werd van een serie inbraken met geweld, twee strafzaken waarin moord of doodslag een rol speelden en een geval van een Roemeense man die verdacht werd van vrouwenhandel. Vooral de laatste zaak vroeg veel van haar tijd en aandacht. Het politieonderzoek vorderde erg langzaam en ook haar gesprekken met de verdachte via een tolk verliepen traag. De man leek haar niet te vertrouwen. Het leek er ook op alsof de politie de bewijslast maar amper rond kon krijgen. Ze bracht veel tijd door in de trein op weg naar het Huis van Bewaring in Arnhem. Telkens doken er weer nieuwe feiten op die ze met haar cliënt moest bespreken.

    En recent was er de vraag bijgekomen om een bijdrage te schrijven voor een boek over de internationale vrouwenhandel. Een paar maanden geleden had ze op een congres in Zuid Afrika een lezing gehouden over dat onderwerp. Die had de aandacht getrokken van de redactie van een internationaal juristentijdschrift. Ze hadden haar gevraagd haar key-note lezing om te werken tot een artikel. Een hele eer, maar het schrijven vroeg meer tijd dan ze dacht. Ze had nog een paar weken tot de deadline, maar door het overlijden van haar hospita en de grote erfenis had ze de laatste tijd veel aandacht aan persoonlijke zaken moeten besteden. Die tijd moest ze nu inhalen, meende ze. Daar kwam bij dat ze bij een van haar andere strafzaken de indruk had dat haar cliënt haar beloog. Ze was niet helemaal zeker van haar zaak. De vrouw gedroeg zich vreemd. Ze was er niet gerust op en zou morgen nog eens met Joris overleggen. Of misschien was het beter het in het komende teamoverleg mee te nemen. Eva had het druk en dan was het begrijpelijk dat ze moe was. Maar was ze niet wat erg moe? Droeg ze een of andere ziekte onder de leden? Ze had last van pijn onderin in haar rug, schoof heen en weer op haar stoel, verstelde de rugleuning en de zitting, maar de pijn werd er niet minder door. De laatste tijd was ze ook wat vaker misselijk. Zwanger was ze in elk geval niet, daar kon ze op grond van haar momenteel ontbrekende seksleven zeker van zijn. De pijn in de rug hield al langer aan en was ook met paracetamol en oefeningen niet meer weg te werken. Dat kon ze er niet ook nog bij hebben.

    Ze rekte zich, streek met haar hand door haar lange krullende haar, viste haar mobiele telefoon tussen de papieren op haar bureau vandaan en keek op het schermpje.

    ‘Sanquin’ las ze. De bloedbank? Wat wilden die van haar. Ze had vorige week net weer bloed gegeven. Had ze iets laten liggen? Niet dat ze wist. Vreemd.

    Ze drukte op het groene knopje en bracht langzaam de telefoon naar haar oor.

    ‘Ja, met Eva Merlijn,’ zei ze.

    ‘Dag Eva, met Mary de Boer van Sanquin. Heb je even?’

    Verbaasd reageerde Eva met een kort ‘Eh, ja. Zeg het maar’. Sanquin, de bloedbank? Die belden haar nooit. Twee keer per jaar kreeg ze een oproep in de brievenbus als ze weer aan de beurt was om bloed te geven. Maar haar bellen?

    ‘We hebben een rapportje gekregen van het laboratorium in Amsterdam. Bij de controle van het bloed dat je vorige week hebt gegeven zijn een paar waarden opgedoken waar je even naar moet laten kijken. Waarschijnlijk niets ernstigs hoor, maar wel iets dat even aandacht vraagt. De waarden wijzen mogelijk op een ontsteking ergens in je lichaam. Het zou goed zijn, als je even met je huisarts contact opneemt om samen met haar te bekijken of er iets moet gebeuren.

    ‘Ja,’ reageerde Eva afwezig.

    Bloedwaarden? Ontsteking? Ze voelde zich goed. Nou ja, af en toe moe. En af en toe wat kortademig en de pijn in de rug en de misselijkheid. Maar verder … En waarom zou ze naar de huisarts moeten?

    ‘Wat bedoel je met bloedwaarden?’ vroeg ze aarzelend.

    ‘Het gaat om bepaalde stoffen in je bloed. De aanwezigheid daarvan wordt standaard onderzocht. We controleren altijd de creatine-waarden en het hoort tot onze procedures dat als we bij bepaalde bloedwaarden een afwijking vinden ten opzichte van de vorige keer, dat we dan onze donoren even bellen en hen adviseren om naar de huisarts te gaan voor controle. Bij jou weken de creatine-waarden af van de waarden van de vorige keer. Het hoeft niets te betekenen, maar we nemen liever het zekere voor het onzekere,’ ging Mary aan de andere kant van de lijn rustig verder. ‘Wij hechten heel erg aan goede communicatie met de donoren over alles wat met hun gezondheid te maken heeft. Dat is immers in hun belang en in het belang van de ontvangers van het bloed …’

    ‘Begrijp ik,’ zei Eva afwezig.

    ‘… vandaar dat ik je bel met het advies even naar je huisarts te gaan. En ik moet je formeel vragen of je ermee akkoord gaat, dat ik het rapportje over je bloedwaarden doorstuur naar je huisarts. Dan weet die meteen waar het om gaat.’

    ‘Ja, dat vind ik prima,’ reageerde Eva prompt.

    ‘O.k., dan mail ik het rapport vandaag naar je huisarts en kun je haar het beste op korte termijn even bellen voor een afspraak. Ze is dan van onze bevindingen op de hoogte en kan met jou bespreken wat er verder gedaan moet worden om die waarden weer normaal te krijgen.

    ‘Ja, zal ik doen. En bedankt voor het bellen.’

    ‘Is goed Eva, dat doen we graag. Het is in jouw belang, maar ook in ons belang. Wij willen dat het bloed dat wij uitgeven van perfecte kwaliteit is en dat ...

    ‘Eh,’ onderbrak Eva haar, ‘betekent dit dat mijn bloeddonatie van vorige week onbruikbaar voor jullie is?’

    ‘Nou ja, eigenlijk is het antwoord op de vraag zowel nee en ja. Als het bloed afwijkende waarden heeft mag het niet gebruikt worden voor gewone bloedtransfusies, maar we kunnen het wel gebruiken voor het maken van andere bloedproducten die voor de ontvangers ook van levensbelang zijn. Dus voor niets heb je je bloed niet gegeven.’

    ‘Gelukkig,’ zei Eva.

    ‘Zullen we het dan zo afspreken?’

    ‘Is goed.’

    ‘Dan tot over een half jaar, hoop ik.’

    ‘Ja, tot dan,’ en de verbinding werd verbroken.

    Minutenlang zat Eva nog met de telefoon in haar handen voor zich uit te staren.

    Bloedwaarden niet in orde? Ze had er geen idee van wat er aan de hand zou kunnen zijn. Mary had iets gezegd van creatief of creatie of zo. Ze had het niet helemaal begrepen. Wilde het eigenlijk ook helemaal niet weten. Laboratorium. Huisarts. Wat was dit allemaal. Was er toch iets met haar aan de hand? Ze voelde zich toch goed? Behalve die plotselinge vermoeidheid dan en die pijn in de rug en zo. En soms had ze het gevoel dat haar benen een beetje dik waren, maar dat ging over als ze met haar benen op de bank ging liggen. Maar voor de rest leek ze helemaal in orde. Of toch niet? Zou ze even googelen op dat woord, crea … en nog wat of zo. Ze herinnerde zich het woord maar half en ze wist ook niet hoe je het schreef. Dus dat had niet zoveel zin. Geen zorgen maken. Eerst het advies van de huisarts afwachten.

     

    Eva stopte haar hand met de telefoon in de zak van haar jasje dat over haar stoel hing en aarzelde. Ze hield haar telefoon nog even in haar hand voor ze hem losliet en in de zak liet glijden. Zou ze een afspraak maken met de huisarts? Haar verstandige ik zei: ‘Doen! Je weet maar nooit en beter vroeg weten dan te lang wachten,’ haar bange ik zei: ‘Waarom? Er is toch niks aan de hand. Allemaal loos alarm en bangmakerij.’

    Ze aarzelde even, maar besloot uiteindelijk toch verstandig te zijn. Ze  pakte haar telefoon en zocht het nummer van haar huisarts op in haar adresboek. Ze vond de gegevens van de huisartsenpraktijk Oog in Al, drukte op de belknop en hoorde de bel overgaan.

    Na twee keer bellen meldde de assistente zich: ‘Goedemorgen, Praktijk dokter Kleermaker, met Janine. Wat kan ik voor u betekenen?’

    ‘Dag Janine, met Eva Merlijn’

    ‘Dag Eva, wat kan ik voor je doen?’

    ‘Ik wil graag een afspraak maken met Andrea.’

    ‘Dat kan. Eens even kijken. Ik heb nog een plekje morgenochtend, om tien over half negen. Kan dat?’

    ‘Eh, even kijken, ja, dan verzet ik een andere afspraak een half uurtje, dan past het precies. Zet me er maar in.’

    ‘Is goed. Je staat genoteerd voor morgen tien over half negen. Tot dan.’

    ‘Ja, tot morgen.’

     

    Nog voor Eva het goed en wel besefte had ze het voorgeprogrammeerde nummer van haar moeder gekozen en luisterde ze naar de tonen van haar telefoon. Drie, vier, vijf, … negen keer liet haar moeder de telefoon overgaan voor ze opnam en zich meldde.

    ‘Dag schat, Alles goed met je?’

    ‘Ik heb een afspraak gemaakt met Andrea Kleermaker, mijn huisarts,’ zei Eva, met de deur in huis vallend.

    ‘Waarom? Is er iets?’ vroeg haar moeder en Eva meende iets van bezorgdheid in haar stem te horen. Haar moeder was zelf huisarts in een dorpje op de Veluwe en ze wist van haar dochter dat die haar alleen belde als er iets aan de hand was. Ze hoorde een lichte ongerustheid in haar stem. Het gesprek met de arts van Sanquin zat Eva niet lekker en voor haar moeder kon ze dat niet verbergen, ook al zou ze dat willen. Eva maakte zich toch een beetje ongerust en ze wist dat ze in dat soort situaties het beste haar moeder kon bellen. Die kon haar dingen uitleggen die andere artsen vaak niet konden of niet wilden uitleggen. Het was gelukkig zelden nodig om een second opinion bij haar moeder te halen, maar vandaag vond ze het nodig. Waarom wist ze niet, maar ze had wel besloten om vandaag haar gevoel te volgen. Ze wist dat haar moeder op deze tijd van de dag zelf spreekuur had, maar ze wist ook dat als ze zag dat Eva haar belde, ze de telefoon toch zou aannemen.

    Esther vond dat Eva’s stem ongerust klonk, gespannen, alsof haar iets dwars zat. Toen ze de naam van Eva in het scherm van haar mobieltje zag had ze opgenomen en gevraagd of ze haar over vijf minuten kon terugbellen. Ze was net bezig met het voorbereiden van een kleine ingreep bij een van haar oudere patiënten. Die wilde ze niet laten wachten. Daarna kon ze wel even met haar dochter praten. Ze kende Eva en wist dat als ze op dit tijdstip van de dag belde, dat er dan iets aan de hand was. Vijf minuten later had ze Eva teruggebeld.

    ‘Vertel het eens,’ zei ze toen ze Eva weer aan de lijn had, ‘is er iets?’

    ‘Dat weet ik niet,’ zei Eva, ‘de medisch adviseur van Sanquin, Mary de Boer belde omdat mijn bloedwaarden niet in orde waren en ze adviseerden mij om met mijn huisarts contact op te nemen.’

    ‘Welke bloedwaarden?’

    ‘Dat heeft ze niet precies gezegd. Of eigenlijk heb ik het niet helemaal begrepen. Ze gebruikte een of andere vreemde term. Ze had het over creaties of zoiets.’

    ‘Creaties? Dat lijkt mij vreemd. Creatine, kan dat het woord geweest zijn of creatinine?’

    ‘Ja, dat zou kunnen. Hoe zo? Is dat iets bijzonders dan.’

    ‘Dat kun je wel zeggen, ja. Creatine is een stof die onder andere in de lever gemaakt wordt. Het wordt in het lichaam omgezet in creatinine en dat wordt als het goed is via het bloed door de nieren uitgescheiden. Als je creatinine-waarden - we hebben het meestal over de crea-waarden - in het bloed te hoog zijn dan betekent dit, dat je nieren niet goed werken.’

    ‘Mijn nieren? Wat zou daar dan mee moeten zijn?

    ‘Ik heb geen idee, maar het is wel zaak, dat zoiets heel snel onderzocht wordt. Voel jij je de laatste tijd vermoeid?’

    ‘Ach, eigenlijk niet echt, geloof ik. Of toch wel, misschien. Ik weet het niet. Ik doezel nogal eens weg aan m’n bureau. Maar ik heb het ook behoorlijk druk.’

    ‘En heb je ook geregeld last van jeuk en van dikke benen, pijn de rug.’

    ‘Soms heb ik last van jeuk op de binnenkant van mijn armen en de binnenkant van mijn benen en soms denk ik dat mijn benen wat dikker zijn dan normaal. In elk geval hebben ze soms zo’n vervelend zwaar gevoel. Dan leg ik ze omhoog en dan gaat het wel weer. Ja, en pijn in mijn rug ook af en toe. Of eigenlijk vrij constant. En af en toe ook misselijk. Maar waarom vraag je daarnaar?

    ‘Nou, wat je vertelt zou op een storing in je vochthuishouding kunnen wijzen. Als ik dat combineer met verhoogde crea-waarden dan zou er iets met je nieren niet in orde kunnen zijn. Het is dan wel zaak dat je snel een afspraak maakt met Andrea en zeg haar maar dat ik je in elk geval adviseer om een nefroloog te consulten.’

    ‘Een nefroloog is toch een medicijnman voor je nieren?’

    ‘Inderdaad. Dat is de specialist die kan bepalen of er inderdaad iets met je nieren aan de hand is. En dat woord medicijnman mag je langzamerhand wel eens achterwege laten. Het zijn gewoon artsen en specialisten.’

    ‘En dat zijn dus voor mij allemaal medicijnmannen. En medicijnvrouwen niet te vergeten. Dat lolletje moet je me gewoon gunnen. Ik weet dat jij je arts voelt en geen medicijnvrouw, maar voor mij ben je dat ook en zijn al je collega’s medicijnmannen en zo. Daar is niks mis mee. En jullie hebben het per slot zelf vaak nog over de geneeskunst. Dat klinkt heel erg medicijnmannerig en veel minder artserig. En, eh tegen een beetje plagen moet je maar kunnen. Je kent mij!’

    ‘Ok, schat. Laat maar. Ik ken je en ik ben niet beledigd, wel geraakt,’ reageerde haar moeder met een hoorbare glimlach, ‘Mamma is niet boos, wel verdrietig. O.k.? Maar nog even serieus, wil je dat ik Sanquin bel en informeer naar de achtergronden? Als huisarts mag ik dat als jij er geen bezwaar tegen hebt. Je bent ten slotte ruimschoots meerderjarig,’ voegde ze er met een glimlach aan toe.

    ‘Denk je dat ’t nodig is?’

    ‘Weet ik niet, maar doorgaans bellen ze alleen maar als er echt iets met het bloed niet in orde is.’

    ‘Maak jij je ongerust over mij?’

    ‘Nee, maar artsen hebben een soort zesde zintuig en ik denk dat het hier om meer gaat dan alleen maar iets onschuldigs. Als je crea-waarden inderdaad niet goed zijn hebben we een probleem.’

    ‘Hoezo ‘we’? Ik heb dan een probleem.’

    ‘Ja, ja en jij maar denken dat ’t mij niets aangaat als mijn dochter ziek is.’

    ‘Waar denk je dan aan?’

    ‘Ik denk in de eerste plaats aan je nieren. Maar nierproblemen zijn er vele en ze kunnen heel complex zijn en dat kan nogal wat gevolgen hebben. Het zou van alles kunnen zijn, maar misschien is er ook niets aan de hand. Ik weet het zo niet. Wat ik wel weet is dat de meeste nierproblemen heel erg ingrijpend kunnen zijn. Daar maak ik mij inderdaad een beetje zorgen om, ja. Vandaar mijn aanbod om Sanquin te bellen en meer informatie te krijgen. Als arts heb ik daar een betere positie voor.’

    ‘Doe maar, dan. Bel ze maar. Jij bent de medicijnvouw-deskundige op dit vlak en ik maak graag van je first opinion gebruik. Andrea is dan mijn second opinion.’

    ‘Ik zou het omdraaien, maar dat is een detail. Ik bel je straks even terug.’

    ‘Goed, tot zo,’ en Eva drukte op het rode knopje om de verbinding te verbreken.

     

    Een lichte onrust begon zich van Eva te meester te maken. Ze stond langzaam op, liep naar de koffiecorner en pakte twee koffiepads voor de Senseomachine. Ze deed de koffiepads in het apparaat, klikte het dicht, deed vers water in het reservoir en schakelde het apparaat aan. Ze pakte haar mok uit de afwasmachine en zette die onder de uitloop. Toen het groene lampje brandde, drukte ze op de knop en met het vertrouwde gebrom begon de hete koffie in de mok te lopen. Ze deed er en kuipje koffiemelk en een zoetje bij en liep langzaam met haar koffie naar haar kamer terug. Het was stil op de gang. Een van die dagen waarop de ene helft van de collega’s afspraken buiten de deur had, of dossiers zat te lezen en de andere helft genoot van een pappa- of mammadag. Zij had daar als single geen last van. Of eigenlijk moest ze zeggen dat de anderen graag misbruik maakten van haar single zijn. Ze had het er wel eens met haar andere single collega’s over gehad. Als zij nou samen een kind zouden kunnen leasen, dan zouden zij ook regelmatig later kunnen komen, pappa- en mammadagen hebben en net als veel vaders en moeders naar hartenlust misbruik kunnen maken van hun lease-ouderlijke staat. Ze hadden vastgesteld dat er iets oneerlijks zat in de vele voordelen die het ouderschap voor werkende vaders en moeder met zich meebracht. Eerste keuze bij vakanties, extra vrije dagen en uren bij ziekte van de schatjes en soms zelfs dagen waarop de kinderen mee mochten naar kantoor en hier vervolgens de boel op stelten zetten. Productiviteit op een absoluut dieptepunt betekende dat, want niemand voerde op die kinderdagen iets serieus uit. Ze glimlachte bij de gedachte aan een lease-baby: wel de lusten, maar niet de lasten. Ze liet de deur van haar kamer openstaan, ging weer op haar bureaustoel zitten, legde haar benen op haar bureau en dronk met kleine slokjes haar koffie terwijl ze haar gedachten de vrije loop liet.

    De beide telefoongesprekken van vanmorgen …

    Bloedwaarden, dacht ze, dat wees op een of andere ziekte. Een ontsteking had Mary van de Bloedbank gezegd. Maar wat en waar? Zou het ernstig zijn? Ze voelde niks en ze wilde helemaal niet ziek zijn. Ze voelde zich ook niet echt ziek. Ze wilde gewoon gezond blijven. Ze had helemaal geen zin in al dat medische gedoe.

    Met een afwezige blik keek ze de kamer rond. Dit was haar werkplek. Hier bracht ze een deel van haar dagen door met een van de mooiste banen die ze zich had kunnen wensen. Ze hield van haar werkkamer. Ze had hem modern en heel persoonlijk ingericht met mooie foto’s van haar reizen naar China en Vietnam aan de muren en kleine souvenirs in de open kasten voor de vele boeken. Soms droomde ze ervan hier ook een dissertatie te schrijven over een onderwerp op het terrein van het strafrecht. Iets met internationale vrouwenhandel. Ze had casussen genoeg. Ze publiceerde er af en toe artikelen over in gerenommeerde vakbladen. Als ze die zou bundelen?

    Ze had bijna alles bereikt wat ze wilde: haar studie, haar baan als advocaat en een aantal boeiende strafzaken. Maar iets trok haar ook naar buiten. Ze droomde soms van een baan als jurist bij een internationale mensenrechtenorganisatie. En dan onderzoek doen op locatie, in Afrika misschien? Daar was ze een jaar geleden geweest. In Kaapstad, voor een juristencongres. Het zwarte continent bleef haar bezighouden. Ze wist dat daar een deel van haar wortels lagen. Ze wist ook dat ze vroeger of later een keer naar Kenia terug zou gaan om nog bewuster te zien waar ze korte tijd als klein meisje geleefd had, om naar sporen te zoeken in Nairobi. Misschien zelfs terug zou gaan naar Mogadishu, de hoofdstad van Somalië, waar haar moeder vandaan kwam. Nu was dat nog te gevaarlijk. Ze had grote plannen, nu ze voldoende geld had. Daar paste geen ziekte in!

    Haar gedachten dwaalden af. Ze nam haar voeten van haar bureau, draaide haar stoel, stond op en ging voor het grote raam staan. Ze keek nadenkend naar buiten, maar op de een of andere manier genoot ze minder van het uitzicht op de fraai aangelegde binnentuin. Iets zat haar dwars, maar ze was er nog niet achter wat. Zou het de dreiging van een onduidelijke ziekte zijn?

    Aan de andere kant van de stad, daar ver weg achter de met klimrozen begroeide muur, bezat ze het huis dat ze na de dood van juffrouw Meijer had geërfd. Ze had de hele benedenverdieping samen met haar ouders en een stel vrienden gemoderniseerd. Een frisse lichte kleur op de muren, nieuwe stoffering in een zacht roze tint en een fauteuil met twee heerlijke luie banken in een dieprode kleur. De keuken had ze nog gelaten zoals die was en ook boven had ze nog weinig veranderd. Dit was haar huis. Ze woonde er nu ruim een jaar alleen. Ze voelde zich er thuis. Zorgen hoefde ze zich niet te maken. In feite was ze een rijke jonge vrouw. De man van de bank had haar destijds alles uitgelegd. In totaal bezat ze een kapitaal van ruim drie miljoen euro. Ze gunde zichzelf van de rente een kleine maandelijkse extra toelage naast haar inkomen. En ze woonde helemaal gratis, hypotheek- en schuldenvrij. Meestal hield ze elke maand nog een flink bedrag over. Zo groeide haar vermogen langzaam verder, zonder dat ze zich ergens zorgen over hoefde te maken. Ze had het beheer van het vermogen bij de bank van Juffrouw Meijer gelaten. Het was een kleine bank waar ze Juffrouw Meijer en nu haar persoonlijk kenden. Haar accountmanager hield haar keurig met maandelijkse afschriften op de hoogte en als ze vragen had hoefde ze hem maar te bellen. Ze had zichzelf een nieuwe stereo-installatie en een grote platte breedbeeld televisie gegund. Ze had rijlessen genomen en haar rijbewijs gehaald. Ze dacht er ook over om een klein autootje te kopen. Maar dat kon nog wel even wachten. Ze fietste graag en meer luxe wilde ze niet. Als ze haar ouders op de Veluwe bezocht nam ze de trein naar Putten, waar haar vader of moeder haar dan van het station ophaalden. En voor haar werk reisde ze graag eerste klas met de trein, zodat ze in een stilte-coupé nog wat dossiers kon doornemen. Alles bij elkaar voelde ze zich een tevreden mens. Alleen die vervelende crea-waarden zaten haar sinds vandaag dwars.

     

    Ze moest aan haar moeder denken. Niet aan Esther, maar aan haar lijfelijke moeder, die zij nooit had gekend. Soms doemden beelden op uit de krochten van haar geheugen. Ze dacht haar moeder te zien, zomaar ergens op straat. In haar beleving was het een grote, sterke, donkere vrouw geweest, die slachtoffer was geworden van de trieste omstandigheden waaronder ze had geleefd en waaronder Eva was geboren. Maar Eva wist ook dat haar lijfelijke moeder onbekend was. Haar pleegouders – die ze als haar echte ouders beschouwde – hadden haar al heel vroeg ingelicht over haar afkomst. Over het feit dat ze haar moeder nooit zou leren kennen. Omdat ze dood was. Kort na haar geboorte overleden vermoedelijk in of nabij een vluchtelingenkamp in het noorden van Kenia. Van daaruit was ze, vermoedelijk met een zusje - maar het was niet eens zeker of er wel een zusje was - meegenomen en afgegeven in een weeshuis in Nairobi. Wat was haar moeder voor een vrouw geweest? Ruim 15 jaar geleden was ze met haar ouders op vakantie in Kenia geweest om te kijken of ze nog iets aan sporen uit haar verleden zouden kunnen achterhalen. Ze hadden het weeshuis bezocht en er waren zelfs een paar nonnen geweest die zich haar nog herinnerden. Ze hadden het toen ook over een zusje gehad. Maar niemand wist wat van haar was geworden. Zou ze nog leven? In de administratie van het weeshuis kwam geen zusje van Eva voor. Misschien vergisten ze zich ook wel en verwisselden ze haar met een ander kind. Er waren achtentwintig jaar geleden zoveel weeskinderen geweest in Kenia en de tijden waren toen zo chaotisch. Ze had er verder geen aandacht meer aan geschonken, maar af en toe vroeg ze zich wel af, hoe het zou zijn als bleek dat ze een echt zusje had.

    De situatie in Somalië was nog steeds zo gevaarlijk dat ze daar niet heen konden. Zelfs niet in de grensstreek waar het vluchtelingenkamp was. Ze waren verder niets te weten gekomen. In Nairobi hadden ze niets over de eerste maanden van haar leven gevonden. Haar ouders hadden uitgelegd dat ze ermee zou moeten leren leven, dat ze pas een duidelijke geschiedenis had vanaf het moment dat zij haar hadden geadopteerd. Wat daarvoor was gebeurd wist niemand meer. Ze wist alleen dat ze haar wortels ergens in Somalië had, maar ook voor een deel in Europa of misschien wel in Amerika. Haar vader was immers een blanke man geweest. Daar had ze de lichte huidskleur van. Was haar vader een Amerikaan geweest? Of een Europeaan? Had hij haar moeder verkracht of had hij van haar gehouden? Leefde hij nog en wist hij dat hij bij een Somalische vrouw een dochter had verwekt? Allemaal vragen die zij nooit zou kunnen beantwoorden. Soms maakte dat haar verdrietig. Dan was ze jaloers op leeftijdgenoten die echte opa’s en oma’s en ooms en tantes en neven en nichten hadden. Die wisten waar ze vandaan kwamen en waar hun wortels lagen. Ze had het werkelijk heel erg goed getroffen, daar niet van. Haar ouders, Thomas en Esther, waren vreselijk lief en goed voor haar geweest en zij beschouwde hen echt als haar ouders en zij haar als hun dochter. Het gaat er niet om wie je op de wereld zet, had Esther haar proberen duidelijk te maken, het gaat erom wie er voor je zorgt. Wie er is, als je behoefte hebt aan steun. Wie je troost als je huilt en wie er blij met je is, als er iets te vieren valt? Je ouders! Je ouders zijn degenen die je helpen om volwassen te worden. Thomas en Esther waren de ouders die haar in feite een nieuw leven hadden gegeven en de talloze kansen die ze met beide handen had aangenomen. Thomas en Esther hadden haar laten opgroeien tot de vrouw die zij nu was. Maar toch. Soms ontbrak er iets. Ze kon het niet benoemen en dat maakte Eva verdrietig. Ze miste bepaalde wortels, maar ze wist niet waarom. Soms zat het haar dwars dat ze niet eens precies wist wanneer ze was geboren. In haar paspoort stond een andere datum dan ze in het oude dikke schrift in het weeshuis in Nairobi hadden gezien. Daar hadden ze haar ook gezegd, dat niemand precies wist wanneer ze geboren was en dat ze de dag van haar aankomst in het weeshuis als haar geboortedatum ingevuld hadden. Zo ging dat meestal met weeskinderen. Die misten een stukje geschiedenis. Die misten een groot deel van hun wortels.

     

    De telefoon ging en onderbrak haar in haar mijmeringen. Ze viste de telefoon uit de zak van haar jasje, dat over de stoel hing en zag de foto van haar moeder die automatisch op het scherm van haar iPhone verscheen als haar moeder haar belde.

    ‘Hoi Mam.’

    ‘Dag schat. Ik val maar meteen met de deur in huis. Ik heb Sanquin gebeld en met Mary de Boer gesproken. Wat ze gevonden hebben zijn inderdaad verhoogde creatinine waarden en dat betekent dat er iets met je nieren niet in orde is. De verhoging van de waarden is nog niet groot, maar het is wel zaak er meteen werk van te maken. De meeste nieraandoeningen worden in de loop van de tijd ernstiger. Heb je al een afspraak met de huisarts gemaakt?’

    ‘Ja, heb ik. Maar wat wil dat zeggen: verhoogde creatinine waarden?’

    ‘Kortweg noemen ze het ook crea-waarden. Creatinine is een afbraakproduct van creatinefosfaat in spierweefsel en het wordt door het lichaam met een vrij constante snelheid geproduceerd, afhankelijk van de aanwezige hoeveelheid spiermassa. Het wordt in de nieren hoofdzakelijk passief gefiltreerd, hoewel een klein gedeelte actief wordt uitgescheiden. Hierdoor ontstaat in het bloed een evenwichtsspiegel die het resultaat is van de productiesnelheid in de spieren en de klaring door de nieren. Als de nieren niet goed werken blijft er teveel in het bloed achter en dat betekent dat de nieren het bloed onvoldoende reinigen. In het kort betekent dit, dat je mogelijk lijdt aan een of andere vorm van wat in een vakterm heet ‘nierinsufficiëntie.’ Dat is de verzamelbenaming voor een hele serie bekende en minder bekende ziekten van de nieren. Sommige ernstig, sommige niet zo ernstig, maar bijna allemaal zijn ze progressief. En dat betekent dat je bloed op termijn niet meer goed schoon gemaakt wordt. Je bloed vervuilt en je lichaam vergiftigt als het ware zichzelf.’

    ‘Is dat erg?’

    ‘Dat kan ik zo niet zeggen. Andrea zal je, als ze dit hoort vrijwel zeker doorsturen naar de nefroloog, de internist die gespecialiseerd is in nierziekten en die gaat je dan verder onderzoeken.’

    ‘O.k. dus ik moet me op iets ernstigs voorbereiden,’ zei Eva langzaam.

    ‘Nogmaals dat weet ik niet, schat. Maar het is wel van belang dat je snel en goed actie onderneemt. Wanneer heb je de afspraak bij de huisarts?’

    ‘Morgenochtend om tien over half negen.’

    ‘Goed. Bel me maar als je meer weet. En als je wilt dat ik eventueel meega naar de nefroloog laat het dan weten. Ik kan dan vrij nemen.’

    ‘Is goed. Maar ik ga eerst zelf op stap. Ik ben echt al heel groot en best wel sterk hoor.’

    ‘Dat weet ik lieverd, maar ik blijf je moeder en ik blijf als dat nodig is voor je zorgen.’

    ‘Dat weet ik toch wel, mam. Het was maar een grapje.’

    ‘Wanneer zien we je weer eens hier?’

    ‘Ma, niet zeuren. Je weet dat ik regelmatig langskom, maar ik heb ook een eigen leven.’

    ‘Ja, ja. Dat weet ik. Nou dan. Maak je niet ongerust. Als er iets is, bel me dan. Ik weet iets van artsenij af en wellicht kan ik je adviseren.’

    ‘Weet ik mam. Maak jij je ook maar niet ongerust. Doei!’

    ‘Dag lieverd.’

     

    Esther hoorde nog de diepe zucht van haar dochter toen ze de verbinding verbrak.

    Verhoogde creatinine waarden, dacht ze. Dat betekende meestal een serieus nierprobleem. Dat was niet leuk. Dat was helemaal niet leuk.

    Ze draaide haar bureaustoel om en legde haar voeten op de verwarming. Ze keek naar buiten, de parkeerplaats over, waar de fietsen en de auto’s van haar patiënten stonden die in de wachtkamer zaten te wachten. Daarachter het gymnastiekzaaltje en het sportveldje waar kleuters en grotere kinderen uit de twee scholen in het dorp hun lichaam op een gezonde manier in beweging brachten. Daar achter de weilanden en de rand van het bos waar de verbouwde boerderij stond waar ze nu al weer vele jaren woonden. En achter het bos met de watermolen, ver weg achter de horizon, lag Utrecht, waar Eva nu alleen zat met haar zorgen. Met haar kapotte nieren. Ze maakte zich ongerust om haar dochter. Ze had haar niet verteld dat als de waarden inderdaad zo afweken als de arts van Sanquin had gezegd, dat Eva dan nog maar iets van vijftig procent van haar niercapaciteit had. Dat was nog ruim voldoende, maar zolang onduidelijk was wat de oorzaak van het nierfalen was en hoe snel de ziekte in de nieren zich verder zouden ontwikkelen was minder dan vijftig procent een zorgelijk percentage.

    Ze veegde met haar hand over haar gezicht, liet haar voeten van de verwarming zakken, draaide zich weer om naar haar bureau, drukte op een toets op het toetsenbord van haar PC en zag de naam van de volgende patiënt in beeld verschijnen. Ze stond langzaam op, liep naar de deur, maakte hem open, rechtte haar rug en zei:

    ‘Meneer Van Galen, komt u maar.’

    Het volgende uur zag ze haar patiënten langskomen met hun kleine en grote klachten, hun vragen, hun zorgen. Ze draaide haar spreekuur voor een deel op routine, maar ze was professional genoeg om haar patiënten toch het gevoel te geven dat zij er helemaal voor hen was. Ook al dwaalden tussen de verschillende patiënten door haar gedachten steeds weer af naar haar dochter. Naar Eva, die vanavond eenzaam in haar grote huis zat met een ongewisse toekomst voor zich. Naar Thomas die nog van niets wist. Misschien moest zij hem even bellen. Of zou ze vanmiddag gewoon vrij nemen?

    Toen de laatste patiënt die ochtend was vertrokken, liep ze naar de receptie en zei tegen Joke, de doktersassistente:

    ‘Ik voel me niet zo lekker. Ik ga naar huis. Ik vrees dat ik een griepje aan het krijgen ben. Kun jij met Maarten de afsluiting voor vandaag verzorgen?’

    ‘Is goed Esther. En zorg een beetje goed voor jezelf! We hebben je hier nog heel erg nodig.’

    ‘Zal ik doen. Ik bel wel of ik morgen spreekuur kan draaien of dat we de vervanging moeten inschakelen.’

    ‘Was er iets met je dochter, dat je haar hebt gebeld?’ vroeg Joke.

    Joke kon alles in de gaten houden vanaf haar telefooncentrale en ze had kennelijk gezien dat ze haar dochter had gebeld.

    ‘Nee hoor,’ loog Esther, omdat ze geen zin had nu iets over Eva te vertellen. Dat kon altijd nog als er echt iets aan de hand zou blijken te zijn.

    ‘Tot morgen in principe,’ zei ze.

    ‘In orde. Beterschap en tot morgen.’

    Joke had het gevoel dat Esther iets achterhield. Ze kon niet goed jokken en Joke had er een zesde zintuig voor als het erom ging vast te stellen of een collega loog of niet. Ze wist het bijna zeker. Er was iets met Eva, Esther’s dochter aan de hand. Dat was de reden dat Esther naar huis ging. Ze besloot Esther in de gaten te houden om haar zo goed mogelijk te kunnen ondersteunen, ook als ze daar zelf niet om vroeg. Esther was zo’n vrouw die sterk wilde zijn, ook op momenten dat ze niet sterk was. Volgens Joke was dit zo’n moment. Een moment waarop een collega je nodig kon hebben, ook al wilde ze dat niet toegeven.

     

    Het gezondheidscentrum lag aan de rand van het dorp en Esther moest op de fiets dwars door het dorp rijden om thuis te komen. Hun verbouwde boerderij lag aan het eind van een smalle weg met de rug tegen de bosrand. Het met riet gedekte huis van rode bakstenen en het rood en wit geschilderde houtwerk stak helder af tegen het donkere bos. Naast het huis was een schuur tot garage omgebouwd. Er was ruimte voor drie auto’s, maar zowel Thomas als zij lieten hun auto meestal buiten op de ruime parkeerplaats voor het huis staan. Een brede oprit voerde langs een groot grasveld met in het midden een vijver naar het huis. Eigenlijk was het een klein meertje dat gevoed werd uit een bron diep onder de grond. Niet alleen haalden ze daar hun eigen drinkwater uit, het meertje had ook een uitloop die uitmondde in een kleine spreng die langs het huis naar de rand van het bos liep en tussen de bomen verdween. Rustig kabbelend had het een weg gevonden tot het samenstroomde met een andere spreng en zich tot een klein riviertje ontwikkelde, groot genoeg om de watermolen aan de andere kant van het bos van groene energie te voorzien. Een smal pad slingerde door het bos naar de watermolen, die Thomas en Esther enkele jaren geleden hadden aangekocht. Ze hadden het molenrad laten restaureren en daar een generator op aan laten sluiten die de watermolen en hun huis in het voorjaar, de zomer en de herfst van elektriciteit voorzag. Wat ze over hadden aan energie verkochten ze aan de elektriciteitsmaatschappij. De watermolen bevatte een grote woonkamer, een open keuken, vier ruime slaapkamers en twee badkamers. Het geheel was eenvoudig maar smaakvol ingericht, zodat ze hem konden verhuren aan vrienden of kennissen, die er in hun vakanties graag gebruik van maakten. De afstand tot de boerderij was ver genoeg om elkaars privacy te garanderen, maar mochten ze behoefte hebben bij elkaar langs te gaan, dan was een boswandeling van tien minuten voldoende.

    De boerderij bestond eigenlijk maar uit één hele grote ruimte, die was verbouwd tot een royale leefruimte met een luxe open keuken. Via een brede houten trap kwam je op een overloop, waar drie ruime kamers op uitkwamen, waarvan de ene de werkkamer van Thomas was. De andere was hun slaapkamer en de derde was de vroegere kamer van Eva, die nu als logeerkamer dienst deed. Als Eva vriendinnen meenam, namen de dames steevast bezit van de watermolen. Jonge meiden hielden van hun privacy en Thomas en Esther hoefden niet te weten wie er vanaf de andere kant van het bos via de asfaltweg die naar de watermolen voerde op bezoek kwamen en samen met de dames de nacht doorbrachten. Hun dochter was oud genoeg om voor zichzelf te zorgen. Ze had geen vast vriendje, maar ook dat was haar zaak, vonden haar ouders.

     

    De werkkamer van Thomas, die veel weg had van een ruime bibliotheek,  bevond zich aan de voorzijde van het huis en de twee ramen ervan keken uit over het grasveld met het meertje en de lange oprit tussen de weilanden door, die naar de straatweg leidde. Thomas zag zijn vrouw al van verre aan komen fietsen. Hij keek op zijn horloge: half twee. Het verbaasde hem dat zij zo vroeg was. Normaal werd het meestal vier uur of zelfs nog later voor ze thuis was en dan moest ze nog geregeld op huisbezoek. Hij sloeg het artikel dat hij aan het schrijven was op, sloot zijn laptop af en liep naar beneden om thee te maken. Hij wist dat Eva al geluncht had maar wel zin in thee zou hebben en zelf wilde hij ook wel even zijn werk onderbreken.

    ‘Je bent vroeg vandaag,’ begroette hij haar bij de voordeur en hij drukte haar tegen zich aan en gaf haar een stevige kus op de lippen.

    ‘Ja, en met reden. Ik wil even de tijd hebben om met je over Eva te praten,’ viel ze met de deur in huis.

    ‘Over Eva? Is er iets?’

    ‘Ik denk van wel. Heb je al thee gemaakt?’

    Ze deed haar jas uit, hing hem op de kapstok, schopte haar schoenen in een hoek, liep op kousenvoeten de kamer in en liet zich op de zachte brede bank vallen. Thomas maakte de thee klaar, schonk twee glazen in en kwam naast haar zitten. Zij liet zich opzij zakken, legde haar hoofd op zijn schoot en strekte haar benen over de zijleuning van de bank. Hij speelde met haar lange blonde haren en wachtte tot zij zou vertellen. Zij was voor hem meestal een open boek. Hij voelde al aan de manier waarop zij kwam aanfietsen en het huis binnenkwam dat er iets aan de hand was. Maar hij wist ook dat hij er niet naar moest vragen. Ze zou vanzelf wel komen. Op haar manier en met haar woorden.

    ‘Eva heeft een verhoogd creatinine gehalte in haar bloed,’ zei Esther.

    ‘Oh, dan is er dus iets niet in orde met haar nieren. Hoe groot is de afwijking?’

    ‘Dat weet ik nog niet zeker, maar op basis van de gegevens van de bloedbank heel fors, vrees ik.’

    ‘Dat is niet zo leuk. Enig idee van de oorzaak?’

    ‘Nee. Er is reden dat we ons een beetje zorgen maken over haar gezondheid. Ze heeft overigens al een afspraak met haar huisarts gemaakt en ik heb haar gezegd dat ze er rekening mee moet houden dat ze door de nefroloog onder handen genomen zal worden.’

    ‘Dat is niet zo leuk,’ herhaalde Thomas langzaam en hij keek Esther aan, ‘helemaal niet leuk …’

    Als journalist en medicus wist hij waar hij het over had. Esther en hij hadden elkaar tijdens hun studie leren kennen. Esther had gekozen voor de huisartsen opleiding maar Thomas was na zijn doctoraalexamen gestopt. Hem trok de journalistiek en daar had hij geen artsexamen voor nodig. Hij ging in de leer bij een regionaal dagblad en leerde daar de kneepjes van het vak. Een paar jaar als politieverslaggever bij een landelijk dagblad bezorgden hem niet alleen een interessant netwerk in de wereld van de politie, maar vestigden ook zijn naam als een buitengewoon integere journalist. Na een aantal jaren bij verschillende redacties van kranten en tijdschriften gewerkt te hebben, was hij als medisch freelance journalist voor zichzelf begonnen. Een goede keuze, want hij had veel te doen. Hij publiceerde zowel populair-wetenschappelijke als journalistieke artikelen en zorgde ervoor dat hij zijn vak bij hield. Hij was een gevraagd spreker en dagvoorzitter op wetenschappelijke en publiekscongressen. Zijn medische kennis in combinatie met zijn journalistieke vaardigheden maakten dat hij ook veelvuldig gevraagd werd als medisch commentator voor radio- en televisieprogramma’s. Het populariseren van medische kennis en het opkomen voor de rechten van de patiënten waren zijn belangrijkste onderwerpen. Onderwerpen die hem ook vaak in Den Haag brachten om ambtenaren en ministers te adviseren. De enigen met wie hij al vele jaren op gespannen voet leefde waren de farmaceutische bedrijven. Een gevolg van een serie zeer kritische artikelen over hun dubieuze rol bij de ontwikkeling van medicijnen voor internationale volksziekten als malaria en tbc en voor ziekten waar maar weinig mensen aan leden. Geneesmiddelen waar onvoldoende mee te verdienen viel, werden niet of te traag ontwikkeld. Alleen medicijnen waar winst mee te maken was en die gericht waren op de genezing van luxe aandoeningen in de rijke landen kregen een commerciële kans. Goedkope massamedicijnen voor volksziekten in de derde wereld waren niet populair, evenmin als geneesmiddelen voor zeldzame ziekten. Thomas had laten uitrekenen wat deze politiek-economische keuze de mondiale samenleving per jaar koste en vooral hoeveel mensenlevens daardoor bewust door de farmaceutische industrie werden vernietigd. En dat alleen maar omdat de aandeelhouders ook in deze sector de dienst uitmaakten! In de farmaceutische industrie draait het om aandeelhouderswaarde en niet om de menselijke waardigheid. De felle discussie die hij met een serie artikelen hierover had uitgelokt had ertoe geleid, dat zijn artikelen in vertaling over de hele wereld waren verspreid. Zijn boek ‘Moordende farmaceuten’, was in tientallen talen vertaald. Het was een bestseller geworden. Voor de farmaceutische industrie en voor een hele reeks westerse artsen was hij een luis in hun rijke, warme en comfortabele pels. Een rol waar hij bepaald niet van genoot, maar waarvan hij vond dat hij hem moest spelen. En hij kon er ook nog eens goed van leven. Zijn boeken maakten dat hij een zekere vrijheid genoot, onafhankelijk van de druk van financiers, redacties en uitgevers. Een prima uitgangspunt voor goed onderbouwde en kritische medische journalistiek, die voor hem altijd gebaseerd moest zijn op goede research. Dat was zijn werk, dat was zijn leven.

    ‘Nee, zeker niet als je weet hoe hoog de crea waarden zijn bij haar,’ onderbrak Esther zijn gedachten. Die zijn zo hoog dat ik aanneem dat ze minder dan vijftig procent van haar nierfunctie heeft. En dat is in feite al heel weinig!’

    ‘Oei. Daar schrik ik van. Ze heeft toch nog nooit een klacht op dat vlak gehad. Geen oedeem, wel pijn laag in de rug, herinner ik me.’

    ‘Klopt. Daar heb ik helemaal niet aan gedacht. En ze was de laatste tijd vaak snel moe. Het past allemaal een beetje bij elkaar. Nog geen echt duidelijk beeld, maar wat ik weet wijst wel duidelijk op nierinsufficiëntie. En daar wordt ik niet blij van.’

    ‘Ben je daarom eerder naar huis gekomen?’

    ‘Ja, ik wilde het je meteen vertellen.’

    ‘Zal ik Eva zo nog eens bellen?’

    ‘Waarom? Kun je doen, ja. Eh. Ja, doe maar. Dat zal ze wel op prijs stellen, want ik heb de indruk dat ze zich toch wel aardig zorgen maakt.’

    ‘Ik bel haar tegen etenstijd wel.’

    ‘Goed ja. Goed. Hoe was jou dag. Ben je opgeschoten met je artikel?’

    ‘Ja. Dat is bijna af. Ik denk nog twee of drie dagen dan kan het naar de redactie. En dan heb ik even niets te doen. Dan kan ik even een paar dagen uitrusten. Dat komt nu misschien wel goed uit. Dan kan ik mij een beetje om Eva bekommeren.’

    ‘Ik heb haar aangeboden mee te gaan naar de nefroloog als dat zover is. Maar jij zou dat ook kunnen doen natuurlijk.’

    ‘Ja, we zien wel.’

     

    Die avond voelde Eva een vreemde onrust opkomen. Ze had zitten lezen maar haar gedachten waren steeds afgedwaald. Ze had bladzijden omgeslagen zonder te weten wat ze had gelezen. Ze wist het niet, maar voelde ze zich de laatste tijd niet echt lekker? Of verbeeldde ze zich dat, nu ze wist dat er ergens in haar lijf iets niet in orde was? Toegegeven, ze was vaak moe. Of meer dan moe: uitgeput. Maar ze werkte ook te hard, had veel aan haar hoofd. Ze moest glimlachen om de vele strategische smoesjes die ze bedacht, de redenen waarom ze zich voelde zoals ze zich voelde. Een druk leven. Een drukke succesvolle baan. Een druk sociaal leven met vrienden en vriendinnen. En nu pas nog de hele verbouwing van haar huis en het gedoe rond de erfenis niet te vergeten. Ze bedacht voortdurend allemaal van dat soort redenen, om toch vooral niet stil te hoeven blijven staan bij haar lichamelijke toestand. En nu dan het moment dat ze ‘even’ bloed zou geven. Wat ze elk half jaar deed. Echt niks bijzonders. Al jaren deed ze dat. Op de fiets naar de bloedbank, even liggen, even prikken en weer verder, dacht ze. Niet dus.

    Het telefoontje van de bloedbank had haar toch meer geraakt dan ze wilde toegeven. En ook het gesprek met haar moeder had haar gemoedsrust op dit punt geen goed gedaan. ’s Avonds had haar vader gebeld en ze hadden bijna een uur zitten praten. Niet alleen over haar nieren, maar ook over haar werk en over allerlei andere zaken waar vaders en dochters over praatten.

    Toen ze hun gesprek hadden afgerond, had Eva nog lang op de bank gelegen en nagedacht over haar leven. Over haar mogelijke ziekte. Het verhaal van haar vader had haar niet echt gerustgesteld. Ze moest iets met haar gedachten en zonder een echte aanleiding was ze opgestaan. Zomaar. Ze was naar boven gelopen en had uit de boekenkast haar laatste dagboek gepakt. Ze had het opengeslagen en gezien dat ze er meer dan een jaar niet in had geschreven. Ze had een pen gepakt en was begonnen in haar dagboek te schrijven.

     

    (…)

     

     

     

    U hebt de eerste twee hoofdstukken van De Orgaanhandelaar gelezen.

    Wilt u verder lezen? Bestel het boek bij de betere boekhandel.

     

     

    Johan G. Hahn, De Orgaanhandelaar

    486 pagina’s, € 24,95

    Gedrukt ISBN: 978-90-815587-0-9

     

    Als E-boek te downloaden via:

    http://pumbo.nl/boek/deorgaanhandelaar

     

    Website:

    www.deorgaanhandelaar.nl

     

     

     

     

     

  • De orgaanhandelaar
    0 uit 10 gebaseerd op 0 reviews.



Copyright © 2006 - 2014 Vior Webmedia

Thuiswinkel Waarborg Thuiswinkel Waarborg



Alle getoonde prijzen zijn inclusief BTW
exclusief evt. verzendkosten

Copyright © 2006-2014 Vior Webmedia    Thuiswinkel Waarborg Thuiswinkel Waarborg    Alle getoonde prijzen zijn inclusief BTW, exclusief evt. verzendkosten