Jan somers reise naer de levante
Geschreven door H.J. Zomer
- Formaat 210x297
- 216 pagina's in zwart-wit, 0 pagina's in kleur.
- ISBN: n.v.t.
- 216 pagina's. Adobe PDF.
- ISBN: n.v.t.
Jan Somer maakte van 10 november 1590 tot 18 october 1592 een reis naar Italië en wilde vandaar doorreizen naar Constantinopel. De reis pakte anders uit dan hij zich had voorgenomen. In dit boek doet hij van zijn reis verslag.
Het originele boek, althans de tweede druk (en ook de derde druk), ligt in de Koninklijke Bibliotheek te ’s-Gravenhage ter inzage, het wordt daar niet voor uitleen maar wel ter inzage beschikbaar gesteld.
In dit boek is de tekst van de tweede druk uit 1649 opgenomen. Het jaar van de eerste druk is mij niet bekend, de derde druk verscheen in 1661.
In het boek is onder de titel “inwerp” een beschrijving van Turkije opgenomen, geschreven door een andere auteur en daterend van 1567.
Inhoudsopgave van de transcriptie:
inleiding .1
Inhoudsopgave.4
10 november 1590, vertrek .9
januari en februari 1591, Spaanse vloot .11
Mallorca, maart en april 1591, Pisa, Livorno.13
mei 1591, Florence.15
Bologna, Venetië .19
juni 1591, Histria.23
Istria (Parentië, Rugna, Polla) .25
Dalmatië, schepen vergaan, lading “gered” .27
storm voor de kust van Dalmatië, juli 1591 .29
Zante, Corsola, Fan, Corfou en Cesare .31
op weg naar Kreta (Candien) .33
bijna verdronken, Kreta (Candia) .35
het Labyrinth.37
Minos en Theseus .39
mooie bloemen en de pleuris .41
Rettimo op Kreta, september 1591, aankomst op Cyprus .43
Famagusta op Cyprus, een aanval op de boot .45
gevangen genomen als slaaf, naar Alexandrië.47
Egypte, de franse consul in Alexandrië.49
weer vrij .51
Alexandrië en Rosetta .53
de Nijl.55
in Caïro .57
october 1591, naar de Rode Zee, mummies en pyramiden.59
de woestijn, toevoeging over pyramiden.61
vervolg boek, Caïro .67
vrouwen in Caïro .69
Damiata .71
Tripoli en Aleppo.73
weer in Tripoli .75
Jaffa, bij de patriarch van Jeruzalem op bezoek.77
diner bij de patriarch.79
grote muizen.83
Rodos .85
de kolos van Rodos.87
Milo, Amazones .91
Metilene en Scio.93
Tenedos, steen in de put .99
walvissen, Troye.101
november 1591.103
Galatha en Constantinopel .105
vreemdelingen in Constantinopel .107
slaven, moskeën en kerken.109
bekering tot de islam .111
turkse gewoonten .113
badhuizen.115
de positie van de vrouw.117
de Islam.121
sultan Amirath, de Grote Turk .125
januari 1592.127
de zoon van de sultan .129
de keizer en zijn koningen, de Grote Turk en zijn pasjas .131
hoe de opvolging van de keizer geregeld is.133
justitie en straffen .137
uitstapjes rond Constantinopel. 139
Inwerp: het leven der Turken (tekst d.d. 1567) . 141
1453, inname Constatinopel . 143
de moskee . 145
het vasten en de besnijdenis . 147
priesters en monniken . 149
scholen, huwelijk en pelgrimage. 151
aalmoezen en offers . 153
begravenissen, leger, krijgsheren en koningen. 155
raadsheren en koning. 157
soldaten in soorten . 159
feest, jacht, arbeid en recht . 163
dieren, kleding, voeding en krijgsgevangenen . 165
krijgsgevangenen en slaven . 167
vluchtende slaven. 171
Turkse bezetting. 173
vervolg van de reis van Jan Somer . 175
februari 1592. 177
Athene. 179
op weg naar Hongarije. 181
Ragousa, naar Venetië . 185
rondje langs havens met galleien . 187
ziek in Pisa en dan Rome zien. 189
Milaan, over de Godhart . 191
naar Basel en over de Rijn naar Straatsburg. 193
Frankfort, Keulen en weer thuis . 195
titelblad derde druk . 197
Familiegegevens . 198
De (vermoedelijke) voorouders van Johannes SOMER. 198
Nakomelingen van Heynrich SOMER . 200
Familiewapen. 210
INDEX van familiegegevens. 212
Griecken. Dese Stadt mach van groote wesen als Amsterdam + maer niet soo
betimmert en bewoont / dit Eylant is wonder vruchtbaer van Suycker, Olye en Kattoen,
maer 't isser een pestelentiale lucht, en veel vremdelingen daer blijvende / worden
lichtelijck sieck; alhier wassen de bloemkoolen in 't wilde / ghelijck ick met mijn eygen
oogen gesien heb / en dat seer overvloedig / overmits de Griecken die niet weten te
koken / of niet geern eten; So haest ick de stad gesien had / denckende des anderen
daeghs de hooft-stadt te gaen besien genaemt Nicosia, die leyt 34 Italiaensche mijlen
in 't Lant / ben naer 't schip gegaen / om inde Stadt niet te verteeren / en ghegeten
hebbende ben ick ontrent te 11 uuren naer mijn koy ghegaen om te rusten; Als
wanneer ick een groot getier van hacken met koutelassen op 't Schip hoorde / soo dat
ick en die gheene die by my waren terstont zijn uytghespronhen om te sien watter
gaens was: maer als ick uytquam waren daer twee Turcken met bloote sabels
inde hant / die ons boven deden komen / boven komende worden terstondt in
een Galleye ghelaten en gheboeyt. Ick wist niet wat ick bedreven had / en was seer
verslaghen / ick sagh oock onsen Schipper op de Galleye, soo dat ick my verstoute te
vragen aen een slave / die aende selve banck sat / daer ick aen was / waerom wy
Venetiaenen of onder haer haer gebiet ghevanghen waren, hy antwoorde my in 't
Grieks, dat het was om dat den Schipper hem gedeffedeert had teghen des Grooten
Turcks Galleye: en alsoo ick seer droevigh was / gaven my de slaven goeden moet /
segghende dat ick des anderen daeghs los sou komen. Maer het gheschied wel
anders; want de Capiteyn van de Galley liet den Schipper vry / om dat hy een
Venetiaen was / maer hiel ons met ons 7 onder welke waren 5 Slavoenen, een
Danicker en ik. De slavê vraegden my van waer ick was / ick antwoorde uyt
Vranckrijck / het welck my Godt in gaf / anders denck ick dat ick op dese reyse noch
niet vry gheweest sou zijn. Nu als ick docht des anderen daeghs vry te komen / soo
begon men inde morghen vroegh / te roepen / dat ick op zijn riem sou passen / maer
men seyde niet waer heenen / maer daer waren slaven die 't wisten / en seyden / dat
wy naer Alexandria gaen souden / om seeckere brieven te bestellen aen de Viceroy
van Cayro. Doen wert ick heel mismoedigh en weenende / soo datter een slave / 't
welck was een out man die oock 33 Jaer op de Galley had geseten / my altoos
vertrooste / en seyde / datter te Alexandria, een Consul van de Françoysen was / die
my wel sou sien te lossen; ick wist wel datter een Consul was / want ick had een brief
van recommandatie aen hem van sekeren secrete Ambassadeur van Vranckrijck, die
binnen de Stadt Candien, dewijl ick daer was / subijtelijck overlegt / want ick nam den
brief by provisie / overmits ick inden sin had (Constantinopolen gesien hebbende)
door Natolia of kleyn Asien naer Egypten te trecken / met de reysigers / die alledrie
maenden komen en gaen / want van Constantinopolen valt beter geselschap / en men
besiet oock 't geheele lant tot in Judea of Palestina toe. Nu om weder te keeren tot
mijn ghevanghenis op de Galley, soo haest den dagh opginck was den Capiteyn daer
weer / en begonden de Galley uy de haven te trecken / soo dat ick oock moest doen /
gelijck een ander / en heb mijn hant voor de eerste mael aen de riem geslagen. Maer
alsoo den Capiteyn sagh / dat ick niet ghewent was veel te roeyen / en qualijck
gaende / deede my een plaetse geven / daermen alderminst arbeyt / te weten de
achtersten banck op 3 of 4 naer / en oock den achtersten persoon van de banck /
want aen elcke banck saten 5 persoonen soo dat dengeene die voor aen 't eynde van
den riem sit / den aldermeeste arbeyt moet doen / en t' elcker reyse op staen / daer
den achtersten maer sijn arm op en neer doet gaen / sonder arbeyt: wy uyt de haven
zijnde / zijn den 6 September / met een N.W. wint t' zeyl gegaen.
0 uit 10 gebaseerd op 0 reviews.

Bestellen